Eiseres diende een aanvraag in voor bijstand op grond van de Participatiewet, welke door verweerder werd afgewezen vanwege twijfel over haar identiteit. Verweerder baseerde dit op een tip en een onderzoek, waarna de aanvraag werd geweigerd en verstrekte voorschotten werden teruggevorderd.
Eiseres betoogde dat het college alleen op basis van wettelijk voorgeschreven documenten haar identiteit mag vaststellen en dat zij aan deze eisen voldeed met een geldig paspoort en verblijfsdocument. Verweerder stelde bevoegd te zijn nader onderzoek te doen bij gerede twijfel, maar kon deze twijfel niet voldoende onderbouwen en voldeed niet aan de motiveringsplicht.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet bevoegd was om het nader onderzoek te doen en dat de afwijzing van de aanvraag onrechtmatig was. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder werd opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.