De rechtbank Overijssel behandelde het beroep van eiseres tegen de intrekking van haar exploitatievergunning en drank- en horecavergunning voor het horecabedrijf [naam 1] te Almelo. De vergunningen werden ingetrokken naar aanleiding van een Bibob-advies van het Landelijk Bureau Bibob (LBB), dat concludeerde dat er een ernstig gevaar bestond dat de vergunningen mede zouden worden gebruikt voor strafbare feiten.
Eiseres voerde onder meer aan dat zij zelf geen strafbare feiten had gepleegd, dat zij een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) had en dat de strafbare feiten van [naam 3], met wie zij een zakelijk samenwerkingsverband zou hebben, niet aan haar konden worden toegerekend. De rechtbank stelde vast dat het Bibob-advies zorgvuldig was opgesteld en dat verweerder zich terecht op dit advies had gebaseerd. Uit het onderzoek bleek dat [naam 3] meerdere onherroepelijke veroordelingen had voor diverse strafbare feiten en dat er sprake was van een zakelijk samenwerkingsverband tussen eiseres en [naam 3].
De rechtbank oordeelde dat het algemene belang bij handhaving van de openbare orde en veiligheid zwaarder woog dan het financieel-economische belang van eiseres. Hoewel het bestreden besluit een formeel gebrek vertoonde door het niet juist vermelden van de wettelijke grondslag, werd dit gebrek gepasseerd omdat eiseres daardoor niet was benadeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de vergunningen bleef in stand.
Daarnaast verklaarde de rechtbank zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding en veroordeelde zij verweerder tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiseres.