Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
[verzoekster],
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
Rechtbank Overijssel
In deze zaak verzocht werkgever de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werknemer op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) dan wel de combinatiegrond (i-grond). De kern van het geschil betrof het feit dat werknemer bij zijn vorige werkgever aanspraak maakte op een transitievergoeding en een incident waarbij bekenden van werknemer zich intimiderend uitlieten tegenover de directeur van werkgever.
De kantonrechter stelde vast dat er sinds 16 augustus 2021 een arbeidsovereenkomst bestond tussen partijen. De ontbinding werd afgewezen omdat de aangevoerde incidenten onvoldoende waren om te concluderen dat voortzetting van de arbeidsrelatie redelijkerwijs niet van werkgever kon worden gevergd. De transitievergoeding was wettelijk gerechtvaardigd en het incident op 16 september 2021 werd onvoldoende toegerekend aan werknemer.
Verder was er geen concrete poging gedaan om de arbeidsrelatie te herstellen, maar werknemer toonde zich bereid tot mediation. De proceskosten werden aan werkgever opgelegd omdat zij in het ongelijk werd gesteld.
Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen wegens onvoldoende verstoring van de arbeidsverhouding.