Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.[verweerder 1] ,
[verweerder 2],
Rechtbank Overijssel
In deze civiele zaak verzoekt verzoeker de rechtbank om voor recht te verklaren dat verweerder 1 en verweerder 2 hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle materiële en immateriële schade die hij heeft geleden door een incident in de nacht van 2 op 3 juli 2016. Verzoeker stelt dat beide verweerders hem zonder aanleiding hebben mishandeld, waarbij hij letsel opliep waaronder een losse voortand en hersenschudding.
Verweerder 2 voert verjaring aan omdat de aansprakelijkheidsstelling pas in februari 2023 plaatsvond, ruim na het verstrijken van de vijfjarige verjaringstermijn die op 12 november 2021 was geëindigd. De kantonrechter oordeelt dat de strafrechtelijke vervolging van verweerder 2 in 2017 definitief is afgerond, waardoor de civiele verjaring niet langer wordt opgeschort. Verzoeker heeft de verjaringstermijn niet tijdig gestuit, waardoor zijn vordering verjaard is.
Ten aanzien van verweerder 1 stelt de kantonrechter vast dat verzoeker onvoldoende concreet heeft gesteld welke onrechtmatige gedragingen van verweerder 1 jegens hem zijn verricht. Het enkele feit dat verweerder 1 en verweerder 2 gezamenlijk aanwezig waren en verbaal uitdaagden, is onvoldoende voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW Pro of artikel 6:166 BW Pro. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder 1 bewust gezamenlijk heeft opgetreden met verweerder 2 of wist dat letsel zou ontstaan.
De kantonrechter wijst het verzoek van verzoeker af en verklaart voor recht dat de rechtsvordering jegens verweerder 2 op het moment van aansprakelijkstelling verjaard was. De kosten van het deelgeschil worden niet begroot of vergoed, omdat het verzoek als onnodig en onterecht wordt aangemerkt. Het zelfstandig tegenverzoek van verweerder 2 wordt gedeeltelijk toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om hoofdelijke aansprakelijkheid en schadevergoeding wordt afgewezen wegens verjaring en onvoldoende onderbouwing.