Eiser, exploitant van een voormalige cafetaria, kreeg een bestuurlijke boete van €42.000 opgelegd wegens overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Deze bestonden uit het laten werken van twee vreemdelingen zonder vergunning en het niet binnen 48 uur vaststellen van de identiteit van twaalf personen die mogelijk arbeid verrichtten.
Eiser betwistte niet de overtredingen maar voerde aan dat de boete gematigd moest worden vanwege onder meer de hoogte, cumulatie, verwijtbaarheid, overschrijding van de redelijke termijn en financiële omstandigheden. De rechtbank oordeelde dat de overtredingen vaststonden en dat verweerder bevoegd was de boetes op te leggen.
De rechtbank verwierp de bezwaren tegen cumulatie en verwijtbaarheid, maar stelde vast dat de beslistermijn van dertien weken fors was overschreden met ongeveer vijftien maanden. Dit leidde tot onzekerheid en een disproportionele last voor eiser. Daarom matigde de rechtbank de boete met 10%, van €42.000 naar €37.800.
Financiële omstandigheden van eiser gaven geen aanleiding tot verdere matiging. De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het beroep werd gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het boetebedrag betreft.