ECLI:NL:RVS:2019:4181
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- J.J. van Eck
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over boete Wet arbeid vreemdelingen wegens overschrijding redelijke termijn
Bij besluit van 6 december 2017 legde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een boete van €3.000 op aan [wederpartij] wegens het laten verrichten van werkzaamheden door een vreemdeling zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning. De rechtbank Amsterdam matigde deze boete tot €2.700 vanwege een vermeende overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden. De Raad van State overwoog dat de redelijke termijn pas begint te lopen vanaf de dag van de boetekennisgeving, niet bij de eerdere aankondiging van een boeterapport door de arbeidsinspecteurs. Omdat de boetekennisgeving op 17 november 2017 plaatsvond en de uitspraak van de rechtbank op 28 februari 2019, was de redelijke termijn niet overschreden.
De Raad van State vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank Amsterdam en verklaarde het beroep van de staatssecretaris gegrond. Het beroep van [wederpartij] werd alsnog ongegrond verklaard en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de staatssecretaris gegrond, waardoor de boete van €3.000 blijft gehandhaafd.