Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de Dienst Toeslagen op zijn aanvraag van 12 april 2021 om een integrale beoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag. Na een ingebrekestelling op 18 juni 2024 en het uitblijven van een besluit, stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen de wettelijke beslistermijn, die maximaal twaalf maanden bedraagt (zes maanden met een mogelijke verlenging van zes maanden), heeft overschreden. De Dienst Toeslagen erkent de overschrijding en de verbeurde dwangsom, maar heeft nog geen beschikking afgegeven. De rechtbank stelt daarom de dwangsom zelf vast op het maximale bedrag van €1.442.
De rechtbank legt de Dienst Toeslagen op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een vooraankondiging te doen over de uitkomst van de aanvraag en binnen twee weken na ontvangst van een zienswijze of het verstrijken van de termijn een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat de Dienst Toeslagen deze termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000.
De rechtbank wijst het griffierecht en proceskosten toe aan eiser, waarbij de proceskostenvergoeding is vastgesteld op €908,20. De uitspraak benadrukt het belang van het tijdig nemen van besluiten binnen de hersteloperatie toeslagen en sluit aan bij eerdere jurisprudentie en beleidsuitgangspunten van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.