De rechtbank Overijssel behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van de burgemeester tot sluiting van zijn woning voor drie maanden, ingaande 24 mei 2024. De sluiting volgde op een incident waarbij eiser zich met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp rond zijn woning ophield en waarbij het arrestatieteam werd ingezet. Daarnaast waren er meldingen van overlast en geweldsincidenten waarbij eiser betrokken was.
De burgemeester baseerde de sluiting op drie gronden van artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet (a, b en c). De rechtbank oordeelde dat de sluiting terecht was op grond van de b-grond (ernstig geweld of bedreiging in of nabij de woning), maar dat de a-grond (ernstige overlast in of rond de woning) en c-grond (wapen in de woning) onjuist waren toegepast. De meldingen van overlast waren onvoldoende concreet en ernstig voor de a-grond, en er was geen objectief bewijs voor het aantreffen van een wapen in de zin van de Wet wapens en munitie.
De rechtbank vond dat de burgemeester de sluiting proportioneel en noodzakelijk had beoordeeld, mede gelet op het onberekenbare gedrag van eiser en de onveiligheidsgevoelens bij omwonenden. Hoewel de sluiting grote impact had op eiser, woog het belang van openbare orde en veiligheid zwaarder. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor zover de a- en c-grond werden betrokken, vernietigde dat deel van het besluit, maar liet het besluit op de b-grond in stand. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.