ECLI:NL:RBOVE:2025:7379

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
AK_23_163
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden wegens waarden

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden van 22 november 2022. De rechtbank Overijssel heeft de zaak behandeld op verzoek van de formeel bevoegde rechtbank Gelderland. Eisers hebben verzocht om uitspraak zonder zitting, verwijzend naar eerdere uitspraken van andere rechtbanken. De rechtbank heeft vastgesteld dat het wijzigingsbesluit onvoldoende gemotiveerd is voor de toevoeging van de habitattypen moerasspirea en harig wilgenroosje aan de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden Veluwerandmeren en Zwarte Meer. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het wijzigingsbesluit voor deze habitattypen, maar laat de rechtsgevolgen in stand. Verweerder moet het griffierecht en proceskosten vergoeden aan eisers.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 23/163
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eisers], uit [woonplaats] , eisers,
gemachtigden: mr. E.H.E.J. Wijnen en mr. dr. J.J.J. de Rooij,
en
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur(rechtsopvolger van de minister voor Natuur en Stikstof), verweerder.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden (hierna: het wijzigingsbesluit) van verweerder van 22 november 2022.
De formeel bevoegde rechtbank Gelderland heeft deze rechtbank gevraagd de zaak te behandelen, omdat het beroep hier is ingesteld. Deze rechtbank heeft hiermee ingestemd en heeft dat bij brief van 6 april 2023 aan partijen meegedeeld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 9 december 2024 hebben eisers de rechtbank gevraagd om uitspraak te doen zonder zitting. Ook hebben eisers in die brief gewezen op (eind)uitspraken die de rechtbanken Zeeland-West-Brabant, Gelderland en Oost-Brabant op 19 maart 2024, 3 juni 2024 respectievelijk 7 augustus 2024 hebben gedaan op gelijkluidende beroepen [1] . Eisers hebben de rechtbank gevraagd om eenzelfde uitspraak te doen als die rechtbanken.
Per brief van 27 februari 2025 heeft verweerder gereageerd op de brief van eisers van
9 december 2024.
Per brief van 15 april 2025 heeft de rechtbank verweerder gevraagd om voor een aantal Natura 2000-gebieden de daarvoor bedoelde, nog niet gepubliceerde habitattypenkaarten
- voor zover die bestaan - alsnog te publiceren en aan de rechtbank toe te sturen. In het geval dat die kaarten niet bestaan, heeft de rechtbank verweerder gevraagd om ten aanzien van de in de brief van 15 april 2025 genoemde habitattypen op toetsbare wijze kenbaar te maken waar die zijn aangetroffen in de betreffende Natura 2000-gebieden, met de vermelding van de totale oppervlakte van die vindplaatsen.
Hierop heeft verweerder bij brief van 29 april 2025 gereageerd.
Eisers hebben daarop desgevraagd aangegeven dat verweerders reactie van 29 april 2025 hen geen aanleiding geeft om nader inhoudelijk reageren.
Bij brieven van 27 november 2025 heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat zij van oordeel is dat het niet nodig is om in deze zaak een zitting te houden. Aangegeven is dat, als een partij op een zitting wil worden gehoord, zij dat binnen twee weken moet laten weten.
Partijen hebben binnen deze termijn aangegeven geen zitting te willen. Daarop heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Aanvullingswet natuur Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is, blijft op grond van artikel 2.9, tweede lid, onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.
Het wijzigingsbesluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpbesluit is op 9 maart 2018 ter inzage gelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Juridisch kader
2.1
De relevante juridische bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
2.2
Uit de Habitatrichtlijn (Hrl) [2] volgt dat op het Europees grondgebied een ecologisch netwerk van speciale beschermingszones wordt gevormd. Dat netwerk bestaat uit door lidstaten aan te wijzen Natura 2000-gebieden. Een gebied moet als zodanig worden aangewezen, wanneer in dat gebied een bepaald type natuurlijke habitat of habitat van een bepaalde soort aanwezig is die is genoemd in bijlage I of II van de Hrl. Lidstaten zijn verplicht om maatregelen te treffen om die habitats in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.
2.3
Deze Europeesrechtelijke verplichting is in de nationale wetgeving geïmplementeerd in artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming. In dat artikel, zoals dat luidde tot 1 januari 2024, staat dat de minister ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van de Hrl gebieden in Nederland aanwijst als speciale beschermingszones, die worden aangeduid als ‘Natura 2000-gebied’. Ook staat in dat artikel dat de minister bevoegd is om een dergelijk aanwijzingsbesluit te wijzigen. [3]
Het wijzigingsbesluit
3.1
Vanaf 2008 zijn de Nederlandse Natura 2000-gebieden aangewezen door middel van verschillende aanwijzingsbesluiten. Volgens verweerder is het belangrijk om, nadat dat proces is afgerond, na te gaan of in de Natura 2000-gebieden habitattypen en soorten voorkomen die niet zijn opgenomen in de aanwijzingsbesluiten. Uit de bepalingen van de Hrl volgt namelijk dat die waarden (in beginsel) in aanmerking komen om te worden beschermd. Ook blijkt volgens verweerder uit de uitleg die de Europese Commissie heeft gegeven en uit de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat álle habitattypen en soorten die in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen, moeten worden aangewezen.
3.2
In het wijzigingsbesluit heeft verweerder niet aangewezen habitattypen en/of soorten integraal toegevoegd aan de aanwijzingsbesluiten van ongeveer 100 Natura 2000-gebieden. De bedoeling hiervan is om deze habitattypen en soorten, die op het moment van aanwijzen van het desbetreffende Natura 2000-gebied al in voldoende mate en duurzaam aanwezig bleken te zijn, alsnog te beschermen. Hiermee beoogt verweerder te corrigeren wat ten aanzien van de te beschermen habitattypen en soorten niet goed is gegaan bij (het publiceren van) de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten. Met het wijzigingsbesluit zijn de te beschermen waarden en de daarvoor gestelde instandhoudingsdoelstellingen aan de betreffende aanwijzingsbesluiten toegevoegd. In een (beperkt) aantal gevallen bleken habitattypen en soorten op het moment van aanwijzen niet in voldoende mate en duurzaam aanwezig te zijn. Deze zijn met het wijzigingsbesluit verwijderd.
Het beroep van eisers
4.1
Het beroep van eisers is gericht tegen het toevoegen van natuurwaarden aan de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden Rijntakken, Veluwe, Olde Maten & Veerslootslanden, Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, De Wieden, Zwarte Meer, Veluwerandmeren en IJsselmeer (hierna gezamenlijk te noemen: de Natura 2000-gebieden).
4.2
Eisers voeren, samengevat weergegeven, in beroep aan dat verweerder ten onrechte niet met deskundigenrapporten heeft aangetoond dat de habitattypen en soorten die met het wijzigingsbesluit zijn toegevoegd aan de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden ten tijde van de bekendmaking van die aanwijzingsbesluiten al in die gebieden aanwezig waren. Om die reden is het wijzigingsbesluit volgens eisers onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast zijn zij van mening dat het wijzigingsbesluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat niet of onvoldoende inzichtelijk is gemaakt wat de grondslag is voor het alsnog aanwijzen van de toegevoegde habitattypen en soorten. Volgens eisers berust het wijzigingsbesluit nu op een onjuiste grondslag, omdat het niet verplicht is om álle habitattypen en soorten die in meer dan verwaarloosbare mate in een Natura 2000-gebied voorkomen aan te wijzen. Ter onderbouwing hiervan wijzen zij op het Holohan-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 7 november 2018. [4] Volgens eisers kan uit dat arrest worden afgeleid dat soorten en habitattypen die niet de primaire aanleiding waren voor de selectie van een Natura 2000-gebied geen bescherming genieten. Er moet daarom onderscheid worden gemaakt tussen habitattypen en soorten die de eerste aanleiding waren om een gebied te selecteren als Natura 2000-gebied en soorten en habitattypen die in dat gebied voorkomen, maar niet de aanleiding waren om het te selecteren. Dat doen andere lidstaten volgens eisers ook. Verder achten zij daarbij van belang dat onduidelijk is waarom habitattypen en/of soorten die destijds wel hadden moeten worden aangewezen, niet direct zijn meegenomen in de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden. Ook heeft verweerder in het wijzigingsbesluit ten onrechte een aantal habitattypen en soorten aangewezen die qua oppervlakte en/of kwaliteit slechts in verwaarloosbare mate voorkomen in het betreffende Natura 2000-gebied. Eisers zijn verder van mening dat het wijzigingsbesluit in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen. Het ontwerp van dat besluit is namelijk op 5 maart 2018 gepubliceerd en toen waren de habitattypen en soorten die in het wijzigingsbesluit worden toegevoegd aan Natura 2000-gebieden al aangemeld bij de Europese Commissie. Eisers vinden het onrechtmatig dat daarna pas de mogelijkheid is geboden om zienswijzen in te dienen tegen het alsnog beschermen van de habitattypen en soorten die in het wijzigingsbesluit zijn toegevoegd aan Natura 2000-gebieden. Volgens hen had die mogelijkheid moeten worden geboden vóórdat de betreffende natuurwaarden bij de Europese Commissie werden aangemeld. Verder is volgens eisers niet voldaan aan de verplichting uit Uitvoeringsbesluit 2011/484/EU [5] , dat aanwezige waarden op basis van de beste beschikbare informatie moeten worden geregistreerd. Tot slot voeren eisers aan dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht wat de juridische gevolgen van het wijzigingsbesluit zijn, bijvoorbeeld voor de toetsing van vergunningaanvragen. Door het wijzigingsbesluit kunnen namelijk meer hexagonen in de Natura 2000-gebieden relevant worden bij het verlenen van vergunningen. Eisers vrezen voor verzwaring van de stikstofopgave en voor belemmering van hun bedrijfsvoering. Volgens hen had verweerder via berekeningen met AERIUS Calculator inzichtelijk moeten maken welke (juridische) gevolgen het toevoegen van stikstofgevoelige natuur aan de Natura 2000-gebieden heeft voor hen en voor andere ondernemers, agrarische bedrijven en omwonenden.
4.3
In de aanvullende beroepschriften van 9 december 2024 en 25 maart 2025 hebben eisers, onder verwijzing naar de eerder genoemde uitspraken van de rechtbanken Zeeland - West-Brabant, Gelderland en Oost-Brabant, nog betoogd dat aan het wijzigingsbesluit een gebrek kleeft, omdat de habitattypenkaarten destijds niet bij het ontwerp van het wijzigingsbesluit ter inzage hebben gelegen. Volgens eisers is dat in strijd met de artikelen 3:11 en 3:44, eerste lid, onder a, van de Awb en moet dat leiden tot vergoeding van het door hen betaalde griffierecht en vergoeding van proceskosten.
Niet ter inzage liggen habitattypenkaarten
5. Eisers hebben aangevoerd dat de habitattypenkaarten ten onrechte niet ter inzage hebben gelegen met het ontwerp van het wijzigingsbesluit. In eerdere uitspraken heeft de rechtbank al geoordeeld over een soortgelijke beroepsgrond. Op 14 december 2023 en 26 januari 2024 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank uitspraak gedaan op zeven andere beroepen tegen het wijzigingsbesluit [6] en de rechtbank ziet geen reden om in deze zaak anders te oordelen. De rechtbank stelt vast dat eisers geen zienswijze tegen het ontwerpbesluit hebben ingediend. In de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit staat dat de toevoeging van de habitattypen aan de Natura 2000-gebieden is gebaseerd op de habitattypenkaarten. Verder heeft verweerder in het verweerschrift van 30 mei 2023 verklaard dat ervoor is gekozen om bij de bekendmaking (in advertenties in alle regionale bladen) te wijzen op de mogelijkheid tot het opvragen van (achtergrond)documenten bij het klantcontactcentrum van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. De rechtbank stelt vast dat dit in ieder geval is vermeld in de publicatie van het ontwerpbesluit van 5 maart 2018,
Stcrt 2018, nr. 12368. Niet aannemelijk is dat eisers hebben afgezien van het naar voren brengen van een zienswijze, omdat de habitattypenkaarten niet bij het ontwerpbesluit ter inzage hebben gelegen. Aangenomen mag worden dat eisers dan een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht waarin zou zijn gewezen op het niet ter inzage liggen van de kaarten. Eisers zijn dan ook niet in hun belang geschaad doordat (of voor zover kan worden gezegd dat) de habitattypenkaarten niet bij het ontwerp van het wijzigingsbesluit ter inzage hebben gelegen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Dat andere rechtbanken hierover anders hebben geoordeeld, leidt niet tot een ander oordeel.
Inhoudelijke beoordeling van het beroep
6.1
De rechtbank stelt vast dat in het wijzigingsbesluit habitattypen zijn toegevoegd aan de aanwijzingsbesluiten van alle Natura 2000-gebieden waartegen het beroep van eisers is gericht. Daarnaast zijn aan de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en Zwarte Meer ook soorten toegevoegd. In het vervolg van deze uitspraak zal de rechtbank beoordelen of verweerder de betreffende habitattypen en soorten heeft kunnen toevoegen aan de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden. De Natura 2000-gebieden liggen binnen een afstand van 25 km van het bedrijf van eisers, zodat zij kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij de toevoeging van natuurwaarden aan deze gebieden in het wijzigingsbesluit. [7]
6.2
In het wijzigingsbesluit staat dat verweerder de habitattypen aan de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden heeft toegevoegd, omdat die op de data van de publicaties van de aanwijzingsbesluiten (de peildata) in meer dan verwaarloosbare mate in die gebieden voorkwamen. Voor de onderbouwing van de conclusie dat de habitattypen op die peildata in meer dan verwaarloosbare mate in de Natura 2000-gebieden aanwezig waren, heeft verweerder verwezen naar de habitattypenkaarten die voor die gebieden zijn opgesteld. Aan de toevoeging van soorten aan de Natura 2000-gebieden Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en Zwarte Meer ligt het rapport ‘Het voorkomen van Habitatrichtlijnsoorten in Habitatrichtlijngebieden’ uit 2017 van de Vlinderstichting ten grondslag.
6.3
Verweerder heeft voor de Natura 2000-gebieden twee soorten habitattypenkaarten overgelegd: een overzichtskaart, waarop is aangegeven waar de desbetreffende habitattypen op de peildata in de Natura 2000-gebieden voorkwamen, en een typenkaart, waarop is aangegeven hoe groot de oppervlaktes waren van de op de peildata aanwezige habitattypen.
Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat habitattypen in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen, als van dat type minimaal 0,01 hectare (100 m²; 1 are) [8] aanwezig is. Voor bossen geldt een minimale oppervlakte van 0,1 ha (1.000 m²; 10 are).
6.4
De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van de Afdeling blijkt dat verweerder bij de vraag of een habitattype in een gebied in meer dan verwaarloosbare mate voorkomt mag uitgaan van de habitattypenkaarten. [9] Recent, in uitspraken van 2 juli 2025, heeft de Afdeling dit nog eens expliciet bevestigd. [10] De rechtbank ziet geen reden om daarover in dit geval anders te oordelen. Dat verweerder de aanwezigheid van de betreffende habitattypen in de Natura 2000-gebieden op de peildata met deskundigenrapporten moet aantonen, zoals eisers hebben gesteld, volgt de rechtbank dan ook niet. Verder hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat de habitattypenkaarten van de Natura 2000-gebieden dusdanige leemten of gebreken bevatten dat die niet aan het wijzigingsbesluit ten grondslag mogen worden gelegd. Eisers hebben in beroep bij wijze van voorbeeld alleen gewezen op de habitattypenkaarten die voor het Natura 2000-gebied Dwingelderveld zijn opgesteld. Het beroep van eisers is echter niet gericht tegen het toevoegen van natuurwaarden aan het aanwijzingsbesluit van dat gebied. Wat eisers over dat gebied hebben aangevoerd, leidt alleen al om die reden niet tot het oordeel dat verweerder niet mocht afgaan op de habitattypenkaarten die zijn opgesteld voor de Natura 2000-gebieden waar het in deze zaak om gaat.
Verder ziet de rechtbank in wat eisers in beroep hebben aangevoerd ook geen reden om te oordelen dat verweerder niet mocht uitgaan van het rapport van de Vlinderstichting.
6.5
De rechtbank heeft echter vastgesteld dat op de habitattypenkaarten voor het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren niet de habitattypen moerasspirea (H6430A) en harig wilgenroosje (H6430B) voorkomen, terwijl die in het wijzigingsbesluit wel aan het aanwijzingsbesluit van dat Natura 2000-gebied zijn toegevoegd. Op die kaarten is met nummer ‘H9999’ aangegeven dat en waar ‘habitattypen mogelijk aanwezig’ zijn, met een oppervlakte van 8,42 ha. Daarnaast komt het habitattype harig wilgenroosje (H6430B) ook niet voor op de habitattypenkaarten die verweerder voor het Natura 2000-gebied Zwarte Meer heeft overgelegd, terwijl dat habitattype in het wijzigingsbesluit wel aan het aanwijzingsbesluit van dat Natura 2000-gebied is toegevoegd. Op die kaarten is ook met nummer ‘H9999’ aangegeven dat en waar ‘habitattypen mogelijk aanwezig’ zijn, met een oppervlakte van 251,11 ha. In de eerder genoemde brief van 15 april 2025 heeft de rechtbank aan verweerder gevraagd om, als die bestaan, voor die habitattypen nog de betreffende kaarten toe te sturen of, als die er niet zijn, op een andere, toetsbare wijze te onderbouwen dat die habitattypen op de peildata in meer dan verwaarloosbare mate en duurzaam in die Natura 2000-gebieden aanwezig waren.
6.6.1
In de reactie van 29 april 2025 heeft verweerder over het Natura 2000-gebied Zwarte Meer onder meer het volgende aangegeven.
In de Nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit, onder het kopje ‘Onderbouwing van de wijzigingen’, staat dat de bij de habitattypenkaart vermelde vermoedelijke aanwezigheid van het habitattype harig wilgenroosje (H6430B) is bevestigd door vegetatieopnamen. In de toelichting op de wijziging van het aanwijzingsbesluit van Zwarte Meer (p. 242 en verder) staat dat dat habitattype in ieder geval met matige kwaliteit aanwezig is in de oeverlanden aan de noordoostzijde van het gebied. In het verleden is ook de goede kwaliteit aangetroffen in de vorm van de Rivierkruid-associatie; de naamgevende soort komt nog verspreid in het gebied voor, dus mogelijk ook de bijbehorende vegetatie. Verder heeft verweerder in de reactie van 29 april 2025 nader toegelicht dat en op welke wijze de aanwijzing van het habitattype harig wilgenroosje (H6430B) is gebaseerd op kaarten van en vegetatieopnamen door Rijkswaterstaat.
6.6.2
In de reactie van 29 april 2025 heeft verweerder over het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren onder meer het volgende aangegeven.
In de Nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit, onder het kopje ‘Onderbouwing van de wijzigingen’, staat dat de bij de habitattypenkaart vermelde vermoedelijke aanwezigheid van de habitattypen moerasspirea (H6430A) en harig wilgenroosje (H6430B) is bevestigd door vegetatieopnamen. In de toelichting op de wijziging van het aanwijzingsbesluit van Veluwerandmeren (p. 247 en verder) staat dat het habitattype ruigten en zomen, met matige kwaliteit, verspreid voorkomt in de oeverlanden, in beperkte mate als subtype moerasspirea (H6430A), maar vaker in de vorm van subtype harig wilgenroosje (H6430B). Verder heeft verweerder in de reactie van 29 april 2025 nader toegelicht dat en op welke wijze de aanwijzingen van de habitattypen moerasspirea (H6430A) en harig wilgenroosje (H6430B) zijn gebaseerd op kaarten van en vegetatieopnamen door Rijkswaterstaat.
6.7
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de nadere uitleg voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de habitattypen moerasspirea (H6430A) en harig wilgenroosje (H6430B) op de peildatum in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig waren in het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren en dat datzelfde geldt voor het habitattype harig wilgenroosje (H6430B) in het Natura 2000-gebied Zwarte Meer. Eisers hebben dit ook niet concreet bestreden. Wel vormt dit naar het oordeel van de rechtbank reden om het beroep gegrond te verklaren, omdat uit het voorgaande blijkt dat het wijzigingsbesluit zelf voor wat betreft de Natura 2000-gebieden Veluwerandmeren en Zwarte Meer onvoldoende is gemotiveerd. In de nadere motivering die verweerder in beroep heeft overgelegd, en ook gelet op het navolgende, ziet de rechtbank echter tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het wijzigingsbesluit in stand blijven.
6.8
Uit rechtspraak van de Afdeling leidt de rechtbank af dat een lidstaat verplicht is om alle habitattypen van bijlage I en soorten van bijlage II van de Hrl die in een Natura 2000-gebied in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen aan te wijzen dan wel toe te voegen en daarvoor instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. [11] In een arrest van
12 september 2024 heeft het Hof deze verplichting nog eens bevestigd. [12] De stelling van eisers, dat het niet verplicht zou zijn om die habitattypen en soorten aan te wijzen dan wel dat niet duidelijk is wat de grondslag daarvoor is, volgt de rechtbank daarom niet. Ook blijkt uit jurisprudentie van de Afdeling dat de door verweerder aangehouden minimum-oppervlakte van 100 m² (1 are) niet onredelijk is. [13] De rechtbank acht een minimumoppervlakte van 1.000 m² (10 are) voor bossen evenmin onredelijk.
6.9
Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder op basis van de habitattypenkaarten, en voor wat betreft de gebieden Zwarte Meer en Veluwerandmeren ook op basis van de in beroep overgelegde aanvullende motivering, terecht heeft geconcludeerd dat de toegevoegde habitattypen op de peildata in meer dan verwaarloosbare mate voorkwamen in de Natura 2000-gebieden. Verweerder heeft die habitattypen daarom terecht toegevoegd aan de aanwijzingsbesluiten van die gebieden. Ook heeft verweerder op basis van het genoemde rapport van de Vlinderstichting terecht geconcludeerd dat de toegevoegde soorten op de peildata al in meer dan verwaarloosbare mate voorkwamen in de Natura 2000-gebieden Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en Zwarte Meer.
6.1
Daarnaast volgt uit rechtspraak van zowel het Hof als de Afdeling dat uit de Hrl kan worden afgeleid dat bij de aanwijzing van een gebied als Natura 2000-gebied uitsluitend overwegingen van ecologische aard worden betrokken. Hierbij mag geen rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden zoals vermeld in artikel 2, derde lid, van de Hrl. [14] De (bedrijfs)belangen van eisers kunnen dus in beginsel geen rol spelen bij het toevoegen van habitattypen aan de Natura 2000-gebieden.
In het verweerschrift heeft verweerder aangevoerd dat wel een zekere beoordelingsmarge bestaat ten aanzien van het ambitieniveau van de instandhoudingsdoelstellingen, mits daarmee wordt voldaan aan de vereisten van artikel 6 van de Hrl en het bereiken van een landelijk gunstige staat van instandhouding niet wordt bemoeilijkt.
6.11
De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat verweerder bij het vaststellen van de ambitieniveaus voor de habitattypen en soorten die in het wijzigingsbesluit zijn toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden onvoldoende rekening heeft gehouden met de bedrijfsbelangen van eisers. Daarvoor hebben eisers die belangen, en ook de gevolgen die het wijzigingsbesluit voor hen heeft of kan hebben, onvoldoende onderbouwd. Zij hebben niet concreet inzichtelijk gemaakt op welke manier het wijzigingsbesluit daadwerkelijk een (extra) belemmering voor hun bedrijfsvoering zal opleveren. Daar komt bij dat eisers hun belangen (ook) in de zienswijzefase niet gemotiveerd naar voren hebben gebracht, zodat die voor verweerder bij de vaststelling van het wijzigingsbesluit niet duidelijk kenbaar waren. In wat eisers in beroep hebben aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om te oordelen dat hun bedrijfsbelang onevenredig wordt geschaad door de ambitieniveaus voor de habitattypen en soorten die in het wijzigingsbesluit zijn toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden. De stelling van eisers, dat verweerder eerst met AERIUS-berekeningen duidelijk had moeten maken wat de gevolgen van het wijzigingsbesluit voor hen precies zijn, volgt de rechtbank niet. De rechtbank ziet niet op basis waarvan zo’n verplichting zou bestaan.
6.12
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het wijzigingsbesluit terecht de betreffende habitattypen en soorten heeft toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden. De bedrijfsbelangen van eisers konden geen reden vormen om daarvan af te zien. De overige beroepsgronden van eisers slagen ook niet. Voor het oordeel dat de voorbereiding van het wijzigingsbesluit onzorgvuldig of onjuist is geweest, ziet de rechtbank geen aanleiding. Dat de toe te voegen habitattypen en/of soorten wellicht al vóór de publicatie van het ontwerp van het wijzigingsbesluit in een databank van de Europese Commissie zijn geregistreerd, is geen reden om te oordelen dat het wijzigingsbesluit niet in stand kan blijven. Verder hebben eisers de mogelijkheid gehad om mondeling of schriftelijk een zienswijze in te dienen tegen het ontwerpbesluit. Dat dit op onrechtmatige wijze is gegaan, zoals zij hebben gesteld, is de rechtbank niet gebleken. Ten slotte hebben eisers niet aangetoond dat, zoals zij hebben gesteld, verweerder een aantal habitattypen en soorten heeft aangewezen die qua oppervlakte en/of kwaliteit slechts in verwaarloosbare mate voorkomen in een Natura 2000-gebied.

Conclusie en gevolgen

7.1.
Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het wijzigingsbesluit vernietigen voor zover daarin de habitattypen moerasspirea (H6430A) en harig wilgenroosje (H6430B) zijn toegevoegd aan het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren en voor zover daarin het habitattype harig wilgenroosje (H6430B) is toegevoegd aan het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Zwarte Meer. Het wijzigingsbesluit is op die punten namelijk onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank zal echter tevens bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het wijzigingsbesluit in stand blijven, omdat verweerder met de in beroep overgelegde nadere uitleg voldoende heeft gemotiveerd dat die habitattypen op de peildata in meer dan verwaarloosbare mate duurzaam aanwezig waren in die Natura 2000-gebieden. In de praktijk betekent dit dat blijft gelden dat de habitattypen moerasspirea (H6430A) en harig wilgenroosje (H6430B) zijn toegevoegd aan het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren en het habitattype harig wilgenroosje (H6430B) is toegevoegd aan het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Zwarte Meer.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eisers betaalde griffierecht aan hen vergoeden. Ook bestaat er reden voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. De proceskosten van eisers bestaan alleen uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding daarvoor bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in beginsel € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroep; waarde per punt: € 907,-; wegingsfactor 1). In vier andere uitspraken die de rechtbank vandaag doet zijn gelijkluidende beroepen tegen het wijzigingsbesluit, die ook door de gemachtigden van eisers zijn ingediend namens andere eisende partijen, ook gegrond verklaard (eveneens met instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het wijzigingsbesluit). [15] De rechtbank merkt die vier beroepen en het onderhavige beroep aan als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Categorie C2 in de bijlage bij het Bpb schrijft voor dat bij 4 of meer samenhangende zaken wegingsfactor 1,5 wordt gebruikt. De proceskostenvergoeding voor de vijf samenhangende zaken bedraagt daardoor € 1.360,50. Daarvan wordt in deze zaak een vijfde deel (€ 272,10) aan eisers toegekend.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het wijzigingsbesluit voor zover daarin de habitattypen moerasspirea (H6430A) en harig wilgenroosje (H6430B) zijn toegevoegd aan het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren en voor zover daarin het habitattype harig wilgenroosje (H6430B) is toegevoegd aan het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Zwarte Meer;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het wijzigingsbesluit in stand blijven;
  • gelast verweerder het griffierecht van € 365,- aan eisers te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 272,10.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Habitatrichtlijn
Artikel 2
1. Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is.
2. De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.
3. In de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.
Artikel 3
1. Er wordt een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk, dat bestaat uit gebieden met in bijlage I genoemde typen natuurlijke habitats en habitats van in bijlage II genoemde soorten, moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Het Natura 2000-netwerk bestrijkt ook de door de Lid-Staten overeenkomstig Richtlijn 79/409/EEG aangewezen speciale beschermingszones.
2. Elke Lid-Staat draagt bij tot de totstandkoming van Natura 2000 al naar gelang van de aanwezigheid op zijn grondgebied van de typen natuurlijke habitats en habitats van soorten als bedoeld in lid 1. Hij wijst daartoe, overeenkomstig artikel 4 en met inachtneming van de doelstellingen van lid 1, gebieden als speciale beschermingszones aan.
3. Waar zij zulks nodig achten, streven de Lid-Staten naar bevordering van de ecologische coherentie van Natura 2000 door het handhaven en in voorkomend geval ontwikkelen van de in artikel 10 genoemde landschapselementen die van primair belang zijn voor de wilde flora en fauna.
Artikel 4
1. Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke Lid-Staat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Voor diersoorten met een zeer groot territorium komen deze gebieden overeen met de plaatsen, binnen het natuurljike verspreidingsgebied van die soorten, die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Voor aquatische soorten met een groot territorium worden deze gebieden alleen voorgesteld indien het mogelijk is een zone duidelijk af te bakenen die de fysische en biologische elementen vertoont welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Zo nodig stellen de Lid-Staten aanpassingen van de lijst voor in het licht van de resultaten van het in artikel 11 bedoelde toezicht.
De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied. Deze informatie omvat een kaart, de naam, de ligging en de oppervlakte van het gebied, alsmede de gegevens die zijn verkregen uit toepassing van de in bijlage III (fase 1) vermelde criteria, en wordt verstrekt op basis van een door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 opgesteld formulier.
2. Op basis van de in bijlage III (fase 2) vermelde criteria werkt de Commissie met instemming van iedere Lid-Staat voor elk van de vijf in artikel 1, letter c) onder iii), genoemde biogeografische regio's en voor het gehele in artikel 2, lid 1, bedoelde grondgebied aan de hand van de lijsten van de Lid-Staten een ontwerp-lijst van de gebieden van communautair belang uit, waarop staat aangegeven in welke gebieden een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten voorkomen.
De Lid-Staten waar de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats en een of meer prioritaire soorten in oppervlakte meer dan 5 % van het nationale grondgebied beslaan, kunnen, met instemming van de Commissie, verzoeken dat de criteria van bijlage III (fase 2) voor de selectie van alle gebieden van communautair belang op hun grondgebied flexibeler worden toegepast.
De lijst van gebieden van communautair belang, waarop de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten staan aangegeven, wordt door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 21.
3. De in lid 2 genoemde lijst wordt binnen zes jaar na de kennisgeving van deze richtlijn vastgesteld.
4. Wanneer een gebied volgens de procedure van lid 2 tot een gebied van communautair belang is verklaard, wijst de betrokken Lid-Staat dat gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone en stelt hij tevens de prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging.
5. Zodra een gebied op de in lid 2, derde alinea, bedoelde lijst is geplaatst, gelden voor dat gebied de bepalingen van artikel 6, leden 2, 3 en 4.
Wet natuurbescherming
Artikel 2.1
1. Onze Minister wijst gebieden aan als speciale beschermingszones ter uitvoering van
de artikelen 3, tweede lid, onderdeel a, en 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn en de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn. De speciale beschermingszones worden aangeduid als «Natura 2000-gebied».
2. Ingeval een gebied geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door één van Onze andere
Ministers, neemt Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid in overeenstemming met die andere Minister.
3. Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt als bijlage een kaart opgenomen waarop de begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven.
4. Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. Daartoe behoren in elk geval de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van:
a. de leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, of
b. de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn.
5. Op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
6. Onze Minister draagt, mede in het licht van de toepassing van artikel 1.8, eerste lid, en gevolg gevend aan het inzicht, bedoeld in artikel 1.5, vijfde lid, zorg voor de actualisatie van de besluiten, bedoeld in het eerste lid.
7. Onze Minister kan een besluit als bedoeld in het eerste lid wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de eerste volzin is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, behalve in geval van wijzigingen van ondergeschikte aard. Bij een besluit tot gedeeltelijke intrekking of wijziging kan als bijlage een kaart worden opgenomen waarop de gewijzigde begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RBZWB:2024:1852, ECLI:NL:RBGEL:2024:3362 en uitspraak op beroepen met zaaknummers SHE 23/87 e.a. (niet-gepubliceerd).
2.Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
3.De rechtbank leidt uit artikel 1 van de Wet voorzieningen in verband met ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris af dat aan de minister voor Natuur en Stikstof - als minister zonder portefeuille - dezelfde bevoegdheden toekomen als aan de minister van LNV.
4.Arrest van het Hof van 7 november 2018, zaaknummer C-461/17, ECLI:EU:C:2018:883.
5.Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 11 juli 2011 betreffende een gebiedsinformatieformulier voor Natura 2000-gebieden.
6.Zie onder meer de uitspraken van 14 december 2023 (ECLI:NL:RBOVE:2023:5137, ECLI:NL:RBOVE:2023:5138 en ECLI:NL:RBOVE:2023:5140) en 26 januari 2024 (ECLI:NL:RBOVE:2024:456).
7.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5009.
8.1 hectare (ha) = 10.000 m².
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2297, rechtsoverweging (r.o.) 5.8, en 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:864, r.o. 5.2.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2895, r.o. 6.4, en 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047, r.o. 15.2.
12.Arrest in zaak C-66/23, ECLI:EU:C:2024:733, zie met name de overwegingen 48 tot en met 50.
13.Zie de uitspraken van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1453, r.o. 2.6.2, en van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047, r.o. 16 tot en met 16.4.
14.Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 7 november 2000, ECLI:EU:C:2000:600, r.o. 25, en de uitspraken van de Afdeling van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2297, r.o. 5.9, en 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017,2895, r.o. 4.3.
15.Uitspraken op de beroepen met de zaaknummers ZWO 23/157, ZWO 23/158, ZWO 23/162 en ZWO 23/165.