ECLI:NL:RBOVE:2026:154

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
ak_25_763
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Sluiting van een woning in verband met bezit van handelshoeveelheden drugs

In deze uitspraak van de Rechtbank Overijssel wordt de sluiting van de woning van eiseres, in verband met het bezit van handelshoeveelheden soft- en harddrugs, behandeld. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester bevoegd was om de woning voor de duur van drie maanden te sluiten. De sluiting is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat de burgemeester niet met een minder ingrijpend middel kon volstaan. De sluiting was noodzakelijk om de bekendheid van de woning in het drugscircuit te doorbreken en de woning aan de keten van drugshandel en drugsgebruik te onttrekken. De rechtbank weegt de belangen van eiseres en haar kinderen tegen de belangen van de burgemeester en concludeert dat de sluiting gerechtvaardigd is. Eiseres had geen procesbelang meer, omdat de sluiting inmiddels was beëindigd, maar de rechtbank oordeelt dat er nog steeds belang is bij een uitspraak. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stellingen dat de sluiting onevenwichtig was of dat de burgemeester onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van haar minderjarige dochter. De rechtbank concludeert dat de sluiting van de woning niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en dat het beroep ongegrond is.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/763

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] (hierna: [eiseres] ), eiseres

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en

de burgemeester van [gemeente] (hierna: de burgemeester), verweerder

(gemachtigde: R. Mensink).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Stichting Woonbedrijf Ieder1uit Deventer (hierna: Ieder1) (gemachtigde: mr. R.F.A. Rorink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de sluiting van de woning van [eiseres] voor de duur van drie maanden in verband met het bezit van handelshoeveelheden drugs. [eiseres] is het niet eens met deze sluiting. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van [eiseres] of de sluiting in stand kan blijven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester bevoegd was om de woning voor de duur van drie maanden te sluiten en dat hij ook gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid. De woningsluiting is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De burgemeester kon niet volstaan met een minder ingrijpend middel. De sluiting was nodig om de bekendheid van de woning in het drugscircuit te doorbreken en de woning aan de keten van drugshandel en drugsgebruik te onttrekken. De sluiting is ook niet onevenwichtig. De burgemeester heeft de belangen die zijn gediend met de sluiting van de woning zwaarder kunnen laten wegen dan de nadelige gevolgen van de sluiting voor [eiseres] en haar kinderen. De burgemeester heeft voldoende rekening gehouden met de belangen van de minderjarige dochter en de omstandigheden dat Ieder1 de huurovereenkomst heeft ontbonden en dat [eiseres] gedurende een bepaalde periode geen sociale huurwoning kan huren in de omgeving van [gemeente] . De sluiting is ook niet in strijd met artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: het IVRK). [eiseres] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met een besluit van 21 oktober 2024 heeft de burgemeester de woning van [eiseres] gesloten voor de duur van drie maanden. Met een besluit van 30 januari 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar van [eiseres] tegen het besluit van 21 oktober 2024 ongegrond verklaard en is hij bij de sluiting gebleven.
2.1.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Ieder1 heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. [eiseres] is op de zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en mr. V. Kobossen. Namens de burgemeester is zijn gemachtigde verschenen en namens Ieder1 zijn haar gemachtigde en [naam] verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

De relevante feiten en omstandigheden
3. De rechtbank stelt vast dat het volgende tussen partijen niet in geschil is.
3.1.
[eiseres] woonde samen met haar zoon en dochter in de woning aan de [adres] (hierna: de woning). Zij huurde deze woning sinds juli 2015 van Ieder1.
3.2.
De burgemeester heeft van de politie een bestuurlijke rapportage van 8 september 2024 ontvangen. In deze rapportage staat het volgende. De politie heeft recent meerdere meldingen van Meld Misdaad Anoniem (hierna: MMA-meldingen) ontvangen, waarin staat dat vanaf het adres van [eiseres] gedeald wordt in verschillende soorten drugs op verschillende tijden en dat [eiseres] en haar minderjarige zoon degenen zijn die zich hiermee bezighouden. Naar aanleiding daarvan is de politie op 4 september 2024 binnengetreden in de woning. Volgens de politie lijkt de woning te worden gebruikt door meerdere personen met drugs-antecedenten of personen die ambtshalve bekend zijn met drugsgebruik. De politie heeft op zolder in de slaapkamer van de zoon van [eiseres] diverse verdovende middelen aangetroffen. In de woning zijn onder meer 500 ml vermoedelijk GHB, 39,39 gram wiet/hasj en 4 gram vermoedelijk 3-MMC aangetroffen en in beslag genomen. De betrokkenen hebben zelf aangegeven dat het om GHB, hasj en 3-MMC ging.
3.3.
Op basis van de bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester met een besluit van 21 oktober 2024 aan [eiseres] een last onder bestuursdwang opgelegd die inhoudt dat de woning wordt gesloten voor de duur van drie maanden, ingaande op 4 november 2024 om 10.00 uur. Met het bestreden besluit heeft de burgemeester het bezwaar van [eiseres] tegen het besluit van 21 oktober 2024 ongegrond verklaard en is hij bij de sluiting gebleven.
3.4.
[eiseres] heeft gedurende de sluiting bij haar broer op een camping verbleven. Nadat de sluiting op 4 februari 2025 was geëindigd, is [eiseres] weer in de woning gaan wonen. Tijdens de woningsluiting waren haar zoon en dochter respectievelijk 18 en 9 jaar oud.
3.5.
Bij brief van 15 november 2024 heeft Ieder1 de huurovereenkomst voor de woning onder verwijzing naar artikel 231, tweede lid, van het zevende boek van het Burgerlijk Wetboek buitengerechtelijk ontbonden. Naar aanleiding daarvan heeft Ieder1 een kort geding tot ontruiming aanhangig gemaakt bij de rechtbank. In een vonnis van 16 april 2025 heeft de civiele voorzieningenrechter [eiseres] veroordeeld om de woning binnen veertien dagen te ontruimen. [eiseres] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. In een arrest in kort geding van 5 augustus 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis vernietigd voor zover het betreft de veroordeling om de woning binnen veertien dagen te ontruimen en [eiseres] veroordeeld om de woning binnen vier maanden na betekening van het arrest te ontruimen. [eiseres] heeft geen cassatieberoep ingesteld tegen het arrest, waardoor dit onherroepelijk is geworden. [eiseres] heeft de buitengerechtelijke ontbinding niet bestreden in een civiele bodemprocedure. Het arrest heeft ertoe geleid dat [eiseres] de woning uiterlijk op 6 januari 2026 moest ontruimen.
Heeft [eiseres] nog een procesbelang?
4. De rechtbank volgt de burgemeester niet in het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat [eiseres] geen procesbelang meer heeft. Procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat diegene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft degene die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] , ondanks het feit dat de feitelijke sluiting van de woning inmiddels is beëindigd, nog steeds belang heeft bij een uitspraak op haar beroep. Daartoe overweegt zij dat [eiseres] en haar kinderen als gevolg van de sluiting niet in de woning hebben kunnen verblijven en dat [eiseres] heeft gesteld en tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat zij als gevolg daarvan schade heeft geleden. [1] Daarnaast is het oordeel van de bestuursrechter in deze beroepsprocedure mogelijk van belang voor een in de toekomst te starten civiele procedure.
Is Ieder1 terecht aangemerkt als derde-partij?
5. De rechtbank volgt [eiseres] niet in haar standpunt dat Ieder1 ten onrechte in de gelegenheid is gesteld om als derde-partij deel te nemen aan de bezwaar- en beroepsprocedure. Ieder1 is als eigenaar en verhuurder van de woning belanghebbende bij het besluit tot sluiting van deze woning. Het belang van Ieder1 is tegengesteld aan het belang van [eiseres] en dit belang is niet vervallen doordat de sluiting inmiddels is beëindigd.
Is het bestreden besluit gemotiveerd?
6. [eiseres] voert aan dat het bestreden besluit, behoudens een verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie, geen motivering of grondslag kent. Voor zover zij heeft beoogd te stellen dat het besluit reeds om die reden onvoldoende is gemotiveerd, slaagt dit betoog niet. De burgemeester heeft ter motivering van het bestreden besluit volstaan met een verwijzing naar het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie. Dit advies is uitgebracht met het oog op het nemen van dat besluit en het bevat zelf de motivering. Ook is het advies bekend gemaakt aan de partijen. Hieruit volgt dat de burgemeester heeft gehandeld in overeenstemming met artikel 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.
Was de burgermeester bevoegd om de woning te sluiten?
7. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet. Op grond van deze bepaling is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning een middel als bedoeld in lijst I of II, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat in de woning 500 ml GHB, 39,39 gram wiet/hasj en 4 gram 3-MMC is aangetroffen. GHB en 3-MMC zijn harddrugs die staan op lijst I van de Opiumwet en hasjiesj/hennep zijn softdrugs die staan op lijst II van de Opiumwet. Omdat er veel meer dan 0,5 gram harddrugs en 5 gram softdrugs is aangetroffen, is het aannemelijk dat deze drugs deels of geheel bestemd waren om te worden verkocht, afgeleverd of verstrekt. [2] Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dat de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning in ieder geval als een ernstig geval in de zin van de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, kan worden aangemerkt en dat daarom ook bij een eerste constatering hiervan aan die bepaling de bevoegdheid tot sluiting van een woning kan worden ontleend. [3] [eiseres] heeft de bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten ook niet betwist.
Is de sluiting in overeenstemming met het gemeentelijke beleid?
8. De rechtbank stelt vast dat de sluiting van de woning voor de duur van drie maanden in overeenstemming is met artikel 3, tweede lid, van de “Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente [gemeente] ”. Volgens deze bepaling wordt in geval dat er sprake is van handel in harddrugs of een handelshoeveelheid harddrugs in een woning, bij een eerste overtreding de woning fysiek gesloten voor minimaal drie maanden. [eiseres] heeft dit ook niet betwist.
Heeft de burgemeester gebruik kunnen maken van de sluitingsbevoegdheid?
9. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de burgemeester geen gebruik had mogen maken van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning omdat sluiting in dit geval onevenredig is.
9.1.
Daartoe voert [eiseres] in de eerste plaats aan dat de sluiting niet noodzakelijk is, omdat de gestelde overtreding direct is beëindigd door de inbeslagname van de drugs, zij afstand heeft gedaan van de drugs en de burgemeester haar onder oplegging van een dwangsom heeft gelast om geen handelshoeveelheid drugs te verkopen, te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, af te leveren, te verstrekken of deze hiervoor aanwezig te hebben in of bij een woning of lokaal in [gemeente] . [eiseres] is van mening dat de overtreding met deze minder ingrijpende middelen passend is gesanctioneerd en dat de burgemeester daarmee had moeten volstaan.
9.2.
In de tweede plaats stelt [eiseres] zich op het standpunt dat de sluiting niet evenwichtig is. [eiseres] voert aan dat zij geen strafrechtelijk verleden heeft en dat het eenmalig aantreffen van drugs onvoldoende reden is om een woning te sluiten. Zij stelt dat er geen sprake was van het telen, produceren of verhandelen van drugs, waardoor er ook geen sprake was van overlast of een verhoogde kans op schade of brand. Ook overigens was er volgens [eiseres] geen sprake van aantasting van de openbare orde of verloedering van de woning en is uit een buurtonderzoek van de gemeente en Ieder1 gebleken dat haar buren nooit (over)last van haar hebben gehad. [eiseres] voert aan dat de softdrugs een cadeau waren voor de achttiende verjaardag van haar zoon en dat de aangetroffen hoeveelheid, gelet op het aantal aanwezige personen, slechts iets meer was dan de voor eigen gebruik toegestane hoeveelheid. [eiseres] stelt dat de sluiting vooral is gebaseerd op de omstandigheid dat buurtbewoners overlast ervaren en angstgevoelens hebben, terwijl een sluiting daar niet op gebaseerd kan worden. Volgens [eiseres] is er nooit een klacht tegen haar ingediend bij Ieder1 en zijn de door de politie ontvangen klachten ingediend door anonieme derden die niet in de nabijheid van de woning wonen. Verder voert [eiseres] aan dat zij en haar gezin er groot belang bij hebben om de woning niet te hoeven verlaten. Zij is van mening dat de burgemeester ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de belangen en de lichamelijke beperking van haar minderjarige dochter en de gevolgen die de sluiting heeft voor haar positie en fysieke toestand. Volgens [eiseres] bestaat er door de fysieke en medische toestand van haar dochter een bijzondere binding met de woning. De woning is voor haar dochter de basis voor veiligheid en toegang tot het (aangepaste) onderwijs dat wordt geboden door de nabijgelegen school. [eiseres] stelt dat haar dochter waarschijnlijk naar een school voor bijzonder onderwijs moet, als zij niet op haar huidige school kan blijven. Volgens [eiseres] heeft de burgemeester hierdoor gehandeld in strijd is met artikel 3 van het IVRK. Ten slotte voert [eiseres] aan dat de burgemeester ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat Ieder1 heeft aangegeven dat zij op basis van de woningsluiting de huurovereenkomst voor de woning zou gaan ontbinden en [eiseres] zou gaan verplichten om de woning te ontruimen.
10. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de woning voor de duur van drie maanden te sluiten. De sluiting van de woning is noodzakelijk en evenwichtig. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.
10.1.
De bevoegdheid tot het toepassen van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het aan de burgemeester is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om deze bevoegdheid te gebruiken. De bestuursrechter toetst aan de hand van de beroepsgronden of de burgemeester tot zijn besluit heeft mogen komen.
10.2.
Het doel van het evenredigheidsbeginsel is niet het volledig tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig zware gevolgen in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Een besluit met harde of ingrijpende gevolgen is daarom niet per definitie een onevenredig besluit. De beoordeling van de evenredigheid vergt daarom van zowel het bestuur als de bestuursrechter een scherp inzicht in alle relevante feiten en omstandigheden en een afgewogen en deugdelijk gemotiveerd oordeel over de vraag welke gevolgen voor welke belanghebbenden (nog) wel of juist niet (meer) evenredig zijn. De evenredigheidsbeoordeling bestaat uit een beoordeling van geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van het besluit. De gronden van [eiseres] hebben betrekking op de noodzaak en de evenwichtigheid. [4] Daarom zal de rechtbank hierna ingaan op deze twee elementen.
Was de sluiting van de woning noodzakelijk?
11. Bij het beoordelen van de noodzaak van de sluiting van een woning gaat het om de vraag of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Een minder ingrijpend middel dan woningsluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing.
11.1.
Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. [5]
11.2.
De burgemeester heeft de sluiting van de woning gebaseerd op het aantreffen van handelshoeveelheden hard- en softdrugs. Voor de beoordeling van de ernst en de omvang van de overtreding is mede van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld. Met een sluiting wordt de bekendheid van het pand als drugspand weggenomen en wordt de "loop" naar het pand eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om het pand aan het drugscircuit te onttrekken. Uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs, het criterium van het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) voor eigen gebruik, de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. [6]
11.3.
In dit geval is in de woning een hoeveelheid harddrugs (GHB en 3-MMC) aangetroffen die de hiervoor genoemde gebruikershoeveelheid ongeveer 1.000 maal overschrijdt, alsmede een hoeveelheid softdrugs (hennep) van acht maal de gebruikershoeveelheid (5 gram). Ook hebben omwonenden MMA-meldingen gedaan over het dealen in verschillende soorten drugs door [eiseres] en haar zoon vanaf het adres van de woning. Verder heeft de politie bij het binnentreden van de woning geconstateerd dat de woning leek te worden gebruikt door meerdere personen met antecedenten op het gebied van drugs of personen die ambtshalve bekend zijn met drugsgebruik. Dat zijn aanwijzingen dat drugs in of vanuit de woning werden verhandeld. [7]
11.4.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester hieruit heeft kunnen afleiden dat in de woning door verschillende personen drugs werden gebruikt, dat feitelijk in of vanuit de woning drugs werden verkocht, dat de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand en dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of als gebruikslocatie. De rechtbank ziet in de betwisting door [eiseres] van de MMA-meldingen geen reden om aan die meldingen te twijfelen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat deze meldingen steun vinden in de door de politie in de woning aangetroffen situatie en de aangetroffen hoeveelheden hard- en softdrugs. Deze omstandigheden leveren een belang op bij sluiting van de woning. Hieruit volgt dat de stelling van [eiseres] dat de sluiting vooral is gebaseerd op door buurtbewoners ervaren overlast en angstgevoelens, niet juist is. Dit neemt overigens niet weg dat de burgemeester er terecht op heeft gewezen dat de handel in (hard)drugs kan leiden tot aantasting van het woon- en leefklimaat omdat daardoor overlast en gevoelens van angst en onveiligheid kunnen ontstaan. In dat kader heeft de burgemeester er terecht op gewezen dat de handel in harddrugs kan leiden tot verstoringen van de openbare orde (zoals criminele afrekeningen en geweld) en overlast door personen uit het criminele circuit. Ook heeft de burgemeester er terecht op gewezen dat het aanwezig hebben van drugs in een woning in een woonwijk het risico meebrengt dat onschuldige mensen, waaronder omwonenden en de minderjarige dochter van [eiseres] , worden geconfronteerd met criminele activiteiten. Naar het oordeel van de rechtbank is het in dit geval, gelet op de MMA-meldingen, aannemelijk dat personen in de omgeving van de woning overlast ondervinden of gevoelens van angst en onveiligheid hebben als gevolg van de door hen geconstateerde handel in drugs. Het kan noodzakelijk zijn om deze overlast en deze gevoelens met de sluiting weg te nemen. [8]
11.5.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting van de woning had kunnen volstaan. Het sluiten van de woning was, gelet op het hiervoor beschreven samenstel van omstandigheden, noodzakelijk om de bekendheid van de woning in het drugscircuit te doorbreken en de woning aan de keten van drugshandel en drugsgebruik te onttrekken. Hierbij is mede van belang dat de burgemeester, nadat hij de bestuurlijke rapportage had ontvangen, voortvarend te werk is gegaan. Tussen het constateren van de overtreding en het besluit tot het sluiten van de woning zijn minder dan twee maanden verstreken. Dat de burgemeester [eiseres] ook een last onder dwangsom heeft opgelegd, doet hier niet aan af. Deze last onder dwangsom is minder effectief om de genoemde doelen te bereiken. Ook in de door [eiseres] genoemde uitspraak van de Afdeling [9] ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat deze uitspraak geen betrekking heeft op een vergelijkbaar geval. In het desbetreffende geval ging het om een hennepkwekerij en waren er geen aanwijzingen dat er in of vanuit de woning in drugs was gehandeld of dat de woning anderszins een rol vervulde binnen de keten van drugshandel. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, was dat in dit geval anders.
Was de sluiting van de woning evenwichtig?
12. Bij het beoordelen van de evenwichtigheid van de sluiting van een woning moeten de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk acht. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de bewoners is niet per definitie onevenwichtig. Wel moet de burgemeester aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting een zwaar gewicht toekennen bij de beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt.
12.1.
Eén van de omstandigheden die de burgemeester moet meewegen, is de mate van verwijtbaarheid van degenen die door de sluiting worden getroffen. In dit geval kan de overtreding die de aanleiding heeft gevormd voor het sluiten van de woning in grote mate worden verweten aan [eiseres] en haar zoon. Uit het dossier blijkt dat de handelshoeveelheden van de hard- en softdrugs zijn aangetroffen in hun slaapkamers en het is – mede gelet op de MMA-meldingen – aannemelijk dat zij in deze drugs hebben gehandeld. De rechtbank vindt het, gelet op de aangetroffen hoeveelheden, niet aannemelijk dat de drugs bestemd waren voor eigen gebruik tijdens het verjaardagsfeest van de zoon. Daarom kan aan [eiseres] en haar zoon in sterke mate worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. [10] Dit geldt echter niet voor de minderjarige dochter van [eiseres] .
12.2.
Als in de woning minderjarige kinderen wonen, moet de burgemeester de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming betrekken. De aanwezigheid van minderjarige kinderen in een woning is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan moet worden afgezien van sluiting, maar dit kan er in combinatie met andere omstandigheden wel toe leiden dat de burgemeester niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot sluiting. Als deze kinderen (of andere bewoners) een bijzondere binding met de woning hebben moet de burgemeester daar rekening mee houden en moet hij bezien wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. [11] Ook moet de burgemeester bij zijn afweging rekening houden met artikel 3 van het IVRK. Daarin is bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 3 van het IVRK volgt dat, als in een te sluiten woning minderjarige kinderen wonen, de belangen van deze kinderen in kaart moeten worden gebracht en bij de beoordeling van de evenredigheid van de maatregel in aanmerking moeten worden genomen. Uit de tekst van deze bepaling volgt niet dat de belangen van het kind in dat geval doorslaggevend zijn, maar wel dat die belangen een hoge prioriteit hebben. Dit betekent niet dat een woning nooit kan worden gesloten, als het in het belang van het betrokken kind is dat het in de woning kan blijven wonen. Ook brengt de kans dat een kind dakloos wordt, niet altijd mee dat een woning niet mag worden gesloten. Verder volgt uit deze bepaling dat de beschikbaarheid van alternatieve huisvesting, met het oog op de belangen van een kind dat door een woningsluiting wordt getroffen, een belangrijk uitgangspunt is bij de beoordeling van de evenredigheid van de maatregel. [12]
12.2.1.
In dit geval woonde [eiseres] in de woning (onder meer) met haar minderjarige dochter van (destijds) 10 jaar oud en heeft [eiseres] gesteld dat haar dochter een bijzondere binding met de woning heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is het in de eerste plaats aan [eiseres] om alle relevante informatie over de situatie van haar minderjarige dochter en haar binding met de woning naar voren te brengen. Voorafgaand aan het besluit tot sluiting van de woning heeft op 9 oktober 2024 een multidisciplinair overleg (hierna: MDO) plaatsgevonden. Tijdens dit overleg is met [eiseres] besproken dat de burgemeester overwoog om de woning te sluiten. [eiseres] heeft toen niets aangevoerd over de (medische) situatie van haar dochter. Ook in de bezwaarfase, waarin [eiseres] al werd bijgestaan door haar gemachtigde, is niets naar voren gebracht over deze situatie. [eiseres] en haar gemachtigde zijn niet verschenen op de hoorzitting, zodat hen daar ook geen vragen gesteld konden worden over de situatie van de dochter. [eiseres] heeft in beroep voor het eerst medische gegevens over de dochter en informatie van haar school aangeleverd. Met deze gegevens heeft de burgemeester in het bestreden besluit geen rekening kunnen houden. De rechtbank ziet in deze gegevens en de daaruit blijkende lichamelijke beperkingen van de dochter overigens ook geen aanleiding om te oordelen dat zij niet naar een andere school zou kunnen of dat zij om een andere reden gebonden is aan de woning.
12.2.2.
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier, en dan vooral uit het in het bestreden besluit overgenomen advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie, blijkt dat de burgemeester de situatie van de dochter in zijn besluitvorming heeft betrokken. De burgemeester heeft er terecht op gewezen dat het voor minderjarige kinderen belangrijk is dat zij een goede thuisbasis hebben. De rechtbank is met de burgemeester van oordeel dat de woning in dit geval geen goede thuisbasis was voor de dochter van [eiseres] , omdat daar afnemers of gebruikers van drugs aan de deur kwamen en in die woning drugs werden verhandeld en/of gebruikt. Daarnaast geldt dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [eiseres] verantwoordelijk is voor het vinden van vervangende woonruimte voor haarzelf en haar minderjarige dochter. [13] Daarbij is van belang dat de burgemeester [eiseres] erop heeft gewezen dat, als zij zelf geen vervangende woonruimte kon vinden, zij contact kon opnemen met IrisZorg, een organisatie die onder meer crisisopvang biedt voor mensen die geen huis (meer) hebben. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat Ieder1 en Meldpunt Bijzondere Zorg [plaats] (BZT) hebben geprobeerd om met [eiseres] in contact te komen, maar dat zij dit heeft afgehouden. Verder is van belang dat [eiseres] – voorafgaand aan het bestreden besluit – heeft aangegeven dat zij zelf al andere (tijdelijke) huisvesting had gevonden.
12.3.
Verder is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste moet de burgemeester er rekening mee houden dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. En ook dat de huurder door sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio. [14] In dit geval is de woning gedurende drie maanden gesloten geweest en zijn [eiseres] en haar kinderen na afloop van de sluiting weer teruggekeerd in de woning. Dit neemt echter niet weg dat Ieder1 de huurovereenkomst voor de woning per 4 november 2024 buitengerechtelijk heeft ontbonden. Daarbij komt dat de sluiting, blijkens de door de burgemeester gegeven toelichting, tot gevolg heeft dat [eiseres] geen positieve huurdersverklaring van Ieder1 krijgt waardoor zij geen andere sociale huurwoning kan huren uit het bestand van Woonkeus Stedendriehoek (een samenwerkingsverband van de gemeente [gemeente] en vijf andere gemeenten). Daarmee is [eiseres] – voor wat betreft de huurmarkt – aangewezen op huurwoningen buiten de Stedendriehoek of van particuliere verhuurders. Uit het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie blijkt dat de burgemeester deze omstandigheden in zijn besluitvorming heeft betrokken. De burgemeester heeft aangegeven dat dit geen rechtstreeks gevolg is van de woningsluiting, aangezien Ieder1 al tijdens het MDO heeft aangegeven dat zij overwoog om de huurovereenkomst te ontbinden. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door de mededeling van Ieder1 tijdens de hoorzitting dat zij, gelet op haar zero tolerance-beleid, ook op ontbinding van de huurovereenkomst zou hebben ingezet als de burgemeester zou hebben volstaan met een waarschuwing. Zoals hiervoor is overwogen, is het de verantwoordelijkheid van [eiseres] om vervangende woonruimte te vinden en was ten tijde van het bestreden besluit bekend dat zij hierin was geslaagd voor de periode dat de woning was gesloten. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het te ver om te eisen dat de burgemeester de woning alleen kon sluiten als ten tijde van het bestreden besluit bekend was dat [eiseres] ook vervangende woonruimte had voor de periode na de ontruiming van de woning op grond van de ontbinding van de huurovereenkomst. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bestond er geen aanleiding om aan te nemen dat [eiseres] en haar kinderen na de ontruiming geen vervangende woonruimte zouden hebben. Daarbij heeft de burgemeester er rekening mee kunnen houden dat [eiseres] tijdens de sluiting ook onderdak heeft weten te regelen voor haarzelf en haar kinderen. [eiseres] heeft tijdens de zitting verklaard dat het voor haar als gevolg van de crisissituatie in de verhuursector niet mogelijk is om een vervangende woonruimte te vinden. Zij heeft deze stelling echter niet geconcretiseerd en ook niet met bewijsmiddelen onderbouwd. Verder is van belang dat de burgemeester erop heeft gewezen dat als [eiseres] toch in de situatie terecht komt dat zij en haar minderjarige dochter niet (meer) over vervangende huisvesting kunnen beschikken, zij alsnog contact kan opnemen met IrisZorg. Het is de verantwoordelijkheid van [eiseres] om in dat geval alsnog gebruik te maken van het aanbod van IrisZorg. [eiseres] heeft geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om aan te nemen dat haar meerderjarige zoon niet ook bij IrisZorg terecht kan.
12.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester de belangen die zijn gediend met de sluiting van de woning zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de nadelige gevolgen van de sluiting voor [eiseres] en haar kinderen. De sluiting is daarom niet onevenwichtig. De sluiting is ook niet in strijd met artikel 3 van het IVRK. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de burgemeester voldoende rekening heeft gehouden met het belang van de minderjarige dochter van [eiseres] .
Tussenconclusie
13. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.
Is de sluiting van de woning in strijd met het gelijkheidsbeginsel?
14. De rechtbank volgt [eiseres] niet in haar standpunt dat de sluiting van de woning in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. [eiseres] heeft gesteld dat in een andere woning in [gemeente] meer dan 70 kg drugs is aangetroffen, maar dat deze woning niet is gesloten, terwijl daarbij geen minderjarig kind betrokken was. Zij heeft deze stelling echter niet onderbouwd met bewijsmiddelen. De burgemeester heeft aangegeven dat hij van de politie geen bestuurlijke rapportage heeft ontvangen over het door [eiseres] genoemde adres en dat hem ook overigens niets bekend is over een overtreding van de Opiumwet op dat adres. De rechtbank ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Hieruit volgt dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de burgemeester in een vergelijkbaar geval anders heeft gehandeld dan in haar geval. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt en dat het besluit tot sluiting van de woning in stand blijft. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:472, rechtsoverweging (hierna: r.o.) 5.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, r.o. 4.1.1.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1174, r.o. 4.1.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, r.o. 8.3.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, r.o. 10.1.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:715, r.o. 5.2.2.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:715, r.o. 5.2.2.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, r.o. 10.1.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3263.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3263, r.o. 11.2.
11.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3263, r.o. 11.2.
12.Vergelijk de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799, r.o. 3.1.4., 3.2.3., 3.3.4. en 3.5.2.
13.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1174, r.o. 7.2.
14.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3263, r.o. 11.2.