ECLI:NL:RBOVE:2026:1577

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
ak_25_3212
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PWArt. 18a PWArt. 54 PWArt. 58 PWArt. 23 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht

Eiser ontving vanaf 4 juni 2020 een bijstandsuitkering. Het college trok deze uitkering in over de periode tot en met 30 september 2024, vorderde te veel ontvangen bijstand terug en legde een boete op wegens het niet melden van meer dan twaalf uur per week werk bij twee bedrijven.

De sociale recherche voerde een onderzoek uit, ondersteund door getuigenverklaringen, waarnemingen en eigen verklaringen van eiser. De rechtbank oordeelt dat het college terecht de verklaringen van eiser en derden aan het besluit ten grondslag legde. Eiser had geen inzicht gegeven in zijn werkelijke werkzaamheden en inkomsten, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

De rechtbank concludeert dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat het college terecht de bijstand introk, terugvorderde en een evenredige boete oplegde. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard, en hij krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking, terugvordering en boete blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3212

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser (hierna te noemen: [eiser])

gemachtigde: mr. L.J.T. Hoksbergen,
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder (hierna te noemen: het college)
gemachtigde: mr. L.J. Luigies.

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over intrekking en terugvordering van een bijstandsuitkering en het opleggen van een boete op grond van de Participatiewet (PW) wegens het verrichten van op geld waardeerbare arbeid. [eiser] is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college terecht [eiser] bijstandsuitkering over de periode van 4 juni 2020 tot en met
30 september 2024 heeft ingetrokken, een bedrag van bruto € 54.768,63 van [eiser] heeft teruggevorderd en een boete van € 1.153,20 aan [eiser] heeft opgelegd.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de intrekking van [eiser] bijstandsuitkering over de periode van 4 juni 2020 tot en met 30 september 2024, de terugvordering tot een bedrag van bruto € 54.768,63 en de boete van € 1.153,20 in stand blijven. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met een besluit van 2 april 2025 heeft het college [eiser] bijstandsuitkering over de periode van 4 juni 2020 tot en met 30 september 2024 ingetrokken en de over die periode te veel ontvangen bijstandsuitkering tot een bedrag van bruto € 54.768,63 teruggevorderd. Met een besluit van 28 april 2025 heeft het college aan [eiser] een boete van € 1.729,80 opgelegd. Met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 op het bezwaar van [eiser] is het college bij de intrekking en de terugvordering van de bijstandsuitkering gebleven en heeft het college de boete verlaagd naar € 1.153,20.
2.2.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van het college. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de behandeling van het beroep twee weken aangehouden om partijen de gelegenheid te bieden in onderling overleg tot een oplossing te komen.
2.4.
Het college heeft de rechtbank laten weten dat het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3.1.
[eiser] ontving vanaf 4 juni 2020 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande.
3.2.
Op 4 februari 2022 ontving de sociale recherche IJssel- en Vechtstreek (hierna: de sociale recherche) een anonieme melding over [eiser]. Daarop heeft onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het college met een besluit van 7 november 2024 [eiser] bijstandsuitkering met ingang van 1 oktober 2024 ingetrokken.
3.3.
Het onderzoek heeft tevens geleid tot de besluitvorming over de intrekking en de terugvordering van [eiser] bijstandsuitkering, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’. Met een brief van 10 april 2025 heeft het college aan [eiser] gemeld van plan te zijn hem een boete op te leggen. Het college heeft hem verzocht binnen zeven dagen vragen te beantwoorden. In de brief staat dat aan de hand van de antwoorden wordt bepaald hoe hoog de boete wordt. [eiser] heeft niet op deze brief gereageerd. Vervolgens heeft ook over de boete besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Standpunten van partijen
Standpunt college
4.1.
Het college heeft [eiser] bijstandsuitkering over de periode van 4 juni 2020 tot en met
30 september 2024 ingetrokken, de over die periode te veel ontvangen bijstandsuitkering tot een bedrag van bruto € 54.768,63 teruggevorderd en een boete van € 1.153,20 opgelegd, omdat [eiser] de inlichtingenplicht heeft geschonden. Volgens het college heeft [eiser] meer werkzaamheden verricht bij [Bedrijf] en [bedrijf] B.V. dan hij heeft doorgegeven aan het college. Het college heeft dit gebaseerd op een rapport van 18 maart 2025 van de sociale recherche. In dit rapport staan waarnemingen, getuigenverklaringen en eigen verklaringen van [eiser].
4.2.
[eiser] heeft van de omvang van de werkzaamheden bij [Bedrijf] en [bedrijf] B.V. geen deugdelijke boekhouding of urenverantwoording bijgehouden. Daardoor kan het college het recht op bijstand over de periode van 4 juni 2020 tot en met 30 september 2024 niet vaststellen, zodat het college het recht op bijstand over die periode heeft ingetrokken.
4.3.
Het college heeft de in de periode van 4 juni 2020 tot en met 30 september 2024 ten onrechte ontvangen bijstand tot een bedrag van bruto € 54.768,63 bij [eiser] teruggevorderd. Het college stelt dat er geen dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien.
4.4.
Het college heeft aan [eiser] een boete opgelegd van € 1.153,20. De boete is gebaseerd op het benadelingsbedrag van netto € 43.237,45, normale verwijtbaarheid, het wettelijk maximum voor de hoogte van de boete en [eiser] draagkracht.
Standpunt [eiser]
5. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de intrekking van de bijstand over de periode van
4 juni 2020 tot en met 30 september 2024 niet terecht is, omdat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Hij stelt dat het college niet heeft bewezen dat hij gedurende ruim vier jaar per week meer dan twaalf uur heeft gewerkt. Dit leidt er volgens [eiser] ook toe dat de terugvordering en de boete moeten komen te vervallen.
5.1.
[eiser] stelt dat de verklaringen en waarnemingen in het rapport van de sociale recherche niet de basis kunnen zijn van de intrekking van zijn bijstandsuitkering.
5.2.
Het college stelt ten onrechte dat hij meer uren op het werk was dan hij heeft vermeld. [eiser] vindt dat zijn eigen verklaringen in het rapport van de sociale recherche buiten beschouwing moeten blijven, zodat de grondslag van de intrekking vervalt. [eiser] wijst erop dat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is om de vragen van het college goed te kunnen begrijpen en beantwoorden. Hij stelt dat hij tijdens de verhoren meerdere malen heeft laten weten dat hij een en ander niet begreep, maar dat daarmee niets werd gedaan. Zodra een gesprek ingewikkelder wordt heeft [eiser] hulp nodig. Het college heeft ten onrechte geen tolk ingeschakeld.
5.3.
[eiser] stelt dat aannames van klanten geen deugdelijk bewijs opleveren en dat dit niet kan dienen als basis voor intrekking van de bijstandsuitkering. [eiser] vindt dat het college de verklaringen van klanten onjuist uitlegt. [eiser] wijst erop dat klanten, doordat hij contact met hen had, de indruk hebben kunnen krijgen dat hij de eigenaar van het bedrijf [Bedrijf] was. Dat is echter niet het geval en het dossier bevat daarvoor volgens [eiser] geen bewijs. [eiser] stelt dat hij zich niet als eigenaar heeft voorgesteld. De suggestie dat klanten dachten/vonden dat [eiser] eigenaar was en veel contact met hen had, maakt niet dat [eiser] meer dan twaalf uur per week heeft gewerkt. Hij stelt daarnaast dat de juistheid van de verklaringen van klanten onvoldoende vaststaat, nu de originele verklaringen niet in het dossier zijn opgenomen. De in het dossier opgenomen samenvattingen van de verklaringen van klanten zijn volgens [eiser] inhoudelijk niet dusdanig consistent dat daaruit de conclusie kan worden getrokken dat hij per week meer dan twaalf uur heeft gewerkt.
5.4.
[eiser] stelt verder dat de heimelijke waarnemingen over de periode 24 juli 2024 tot en met 15 oktober 2024 niet kunnen dienen als bewijs voor de gehele intrekking van de uitkering over de periode van 4 juni 2020 tot en met 30 september 2024. Op basis van deze waarnemingen had het college de bijstandsuitkering slechts over de periode juli tot oktober 2024 kunnen herzien en terugvorderen. [eiser] wijst er verder op dat het feit dat in iets meer dan de helft van de 97 waarnemingen de auto bij het bedrijf stond, niets zegt over hoe vaak [eiser] bij het bedrijf aanwezig was en hoeveel uren hij daar per week werkte. [eiser] merkt op dat uit de waarnemingen blijkt dat hij vaak niet bij het bedrijf aanwezig was. Dat [eiser] soms wel bij het bedrijf was, past bij wat hij aan het college heeft gemeld.
Overwegingen van de rechtbank
Toetsingskader
6. De wetsartikelen en regels die voor deze zaak van belang zijn staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Schending inlichtingenplicht
7.1.
De te beoordelen periode loopt van 4 juni 2020 tot en met 30 september 2024.
7.2.
Intrekking en terugvordering van bijstand is een belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het college. Dit betekent dat het college de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. [1]
7.3.
Niet in geschil is dat [eiser] aan het college heeft gemeld dat hij in de periode van
4 juni 2020 tot en met 30 september 2024 twaalf uur per week werkte bij [Bedrijf] en [bedrijf] B.V. In geschil is of het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser] in die periode meer dan die twaalf uur per week in die bedrijven werkte.
7.4.
Het college heeft het bestreden besluit gebaseerd op een rapport van 18 maart 2025 van de sociale recherche. Deze heeft haar conclusies gebaseerd op eigen verklaringen van [eiser], verklaringen van klanten en leveranciers van de bedrijven, verklaringen van andere getuigen en waarnemingen.
Verklaringen van [eiser]
7.5.
De rechtbank is van oordeel dat het college de verklaringen van [eiser] aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. De rechtbank licht dit als volgt toe.
7.6.
Volgens vaste rechtspraak mag worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring. [2] De rechtbank is van oordeel dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat van dit algemene uitgangspunt moet worden afgeweken.
7.7.
Sociaal rechercheurs/toezichthouders hebben met [eiser] gesproken op 16 oktober 2024 en 5 maart 2025. Zij hebben aan het begin van de gesprekken gevraagd of [eiser] de Nederlandse taal machtig is en of hij hen kan begrijpen. Daarop heeft [eiser] bevestigend geantwoord. Ook hebben zij in beide gesprekken gevraagd of sprake is van bijzondere omstandigheden van medische en/of andere aard waardoor [eiser] niet in staat is de gesprekken te voeren. Daarop heeft [eiser] ontkennend geantwoord. Desgevraagd heeft [eiser] tijdens het eerste gesprek ook gezegd dat hij het bij de rapporteurs zou melden als hem iets niet duidelijk was. Aan het eind van het eerste gesprek heeft [eiser] desgevraagd laten weten dat hij de rapporteurs goed heeft begrepen. Aan het eind van het tweede gesprek heeft hij gezegd dat hij 85% tot 90% heeft begrepen. Aan het eind van beide gesprekken heeft [eiser] verklaard dat hij kennis heeft genomen van de door hem afgelegde verklaringen, dat hij deze verklaringen goed begrepen heeft, dat deze verklaringen de inhoud van zijn woorden goed weergeven, dat hij de gelegenheid heeft gehad om wijzigingen in de verklaringen aan te brengen, dat hij deze verklaringen vrijwillig ondertekent en dat de rapporteurs hem niet onder druk hebben gezet. [eiser] heeft zijn handtekeningen onder de verklaringen gezet. Daar komt voor de rechtbank bij, dat de weergave van de gesprekken niet de indruk wekt dat [eiser] niet begreep wat hem werd gevraagd. Zijn antwoorden sluiten aan op de vragen en [eiser] heeft zelf ook vragen gesteld. Tenslotte heeft [eiser] tijdens de zitting niet kunnen toelichten welke antwoorden hij achteraf anders had willen geven.
De bevindingen
7.8.
Tijdens de gesprekken heeft [eiser] gezegd dat hij iedere dag naar de bedrijven [Bedrijf] en [bedrijf] B.V. gaat, dat hij daar dan is, maar niet altijd werkt. Uit de gesprekken blijkt ook dat [eiser] gebruik mocht maken van de bedrijfsauto en dat hij een pasje heeft en de pincode weet van de bankrekening van [Bedrijf] en [bedrijf] b.v.
7.9.
De sociaal rechercheurs/toezichthouders hebben ook een aantal klanten van de beide bedrijven als getuigen gehoord, die [eiser] steeds herkenden op een foto. Drie klanten hebben verklaard dat [eiser] eigenaar is van [bedrijf] b.v., dat zij contact met hem hebben en goederen bij hem bestellen, dat ze zaken met hem doen en dat [eiser] meestal de producten komt brengen. Ook een andere klant heeft altijd contact met [eiser]. Een andere klant heeft drie keer gezien dat [eiser] bij [bedrijf] B.V. werkte. Nog een andere klant weet dat [eiser] daar werkt en meldt dat hij hem altijd heeft geholpen. Eén klant zegt dat hij anderhalf jaar zaken doet met [eiser], een andere klant zegt dat hij al vijf of zes jaar spullen bestelt bij [eiser] en weer een andere klant zegt dat hij vanaf eind 2022 boodschappen bij [bedrijf] B.V. haalt. Nog weer een andere klant heeft verteld dat zijn vader zeker vanaf juni 2020 zaken deed met [eiser] en dat de klant dit na het overlijden van zijn vader heeft voortgezet. De klant heeft altijd alleen zaken gedaan met [eiser]. Iemand die ook wel bij het bedrijf komt heeft verklaard dat [eiser] vier of vijf dagen per week bij het bedrijf [bedrijf] B.V. aanwezig is en dat hij daar computerwerkzaamheden doet.
De rapporteurs hebben ook getuigen gehoord van bedrijven waar [eiser] inkopen doet. Eén getuige heeft verklaard dat hij zaken doet met [eiser] en dat [eiser] vijf keer iets bij hem besteld heeft. Een andere getuige heeft verklaard dat hij vanaf 2020 zaken doet met [Bedrijf] en [bedrijf] B.V. en dat hij dan altijd contact heeft met [eiser]. [eiser] komt de spullen dan halen met een bus. [eiser] is altijd alleen. Ook een getuige van een ander bedrijf heeft verklaard dat hij vanaf juli 2020 zaken doet met [eiser] en dat hij alleen met hem contact heeft. Een getuige van een ander bedrijf heeft ook gezegd dat hij vanaf juli 2019 tot 13 juli 2022 zaken heeft gedaan met [eiser] en alleen met hem contact heeft gehad. Een getuige van weer een ander bedrijf heeft verklaard dat hij vanaf juni 2020 tot en met mei 2024 zaken met [eiser] heeft gedaan en dat hij alleen contact met hem heeft gehad. Een getuige van weer een ander bedrijf heeft verklaard dat hij vanaf augustus 2022 tot en met mei 2024 zaken met [eiser] heeft gedaan. Hoewel zich in het dossier niet de processen-verbaal van de gesprekken met de klanten en de andere getuigen bevinden, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de weergave daarvan in het rapport van de sociale recherche van 18 maart 2025 te twijfelen.
7.10.
De rapporteurs hebben in de periode van 24 juli 2024 tot en met 15 oktober 2024 in totaal 97 waarnemingen gedaan. De rapporteurs hebben 57 keer waargenomen dat de auto, waar [eiser] gebruik van maakte, geparkeerd stond bij [bedrijf] B.V. Degene die volgens de informatie van de Kamer van Koophandel eigenaar is van het bedrijf hebben de rapporteurs daar nooit gezien. De rapporteurs hebben gezien dat zich bij de bedrijven [Bedrijf] en [bedrijf] b.v. reclameborden bevinden, waarop het telefoonnummer van [eiser] staat. Het telefoonnummer van [eiser] staat ook op de facebookpagina van [Bedrijf] en zijn naam staat op een andere facebookpagina van [Bedrijf].
7.11.
De rechtbank is van oordeel dat het college met de bevindingen, zoals deze blijken uit het rapport van 18 maart 2025, ruimschoots aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser] in de periode van 4 juni 2020 tot en met 30 september 2024 meer dan twaalf uur per week heeft gewerkt voor de bedrijven [Bedrijf] en [bedrijf] B.V. Of [eiser] ook eigenaar was van de bedrijven is niet relevant. Het gaat erom dat hij er meer dan twaalf uur per week werkte. Het betreft op geld waardeerbare werkzaamheden. [eiser] heeft daarom de inlichtingenplicht geschonden.
Intrekking
7.12.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. [3]
7.13.
[eiser] heeft geen administratie overgelegd waaruit de daadwerkelijk gewerkte (extra) uren en inkomsten blijken. Nu [eiser] geen inzicht heeft gegeven in de daadwerkelijke omvang van de werkzaamheden en evenmin in zijn inkomsten, kan het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet worden vastgesteld.
Terugvordering
7.14.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW. [eiser] heeft in dit verband geen bijzondere omstandigheden aangevoerd.
Boete
7.15.
Tegen de boete heeft [eiser] geen afzonderlijke beroepsgronden ingebracht. De rechtbank is van oordeel dat het college met de bevindingen, zoals deze blijken uit het rapport van 18 maart 2025, niet alleen aannemelijk heeft gemaakt maar ook heeft aangetoond dat [eiser] de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat hij in de periode van 4 juni 2020 tot en met 30 september 2024 meer dan twaalf uur per week op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht voor de bedrijven [Bedrijf] en [bedrijf] B.V. Het college is terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid van [eiser] en het draagkrachtbeginsel is correct toegepast. In de situatie van [eiser] vindt de rechtbank een boete van € 1.153,20 evenredig.
Slotsom
7.16.
Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat de intrekking van [eiser] bijstandsuitkering over de periode van 4 juni 2020 tot en met 30 september 2024, de terugvordering tot een bedrag van bruto € 54.768,63 en de boete van € 1.153,20 in stand blijven.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetsartikelen en regels

Participatiewet (PW)
Artikel 17, eerste lid, van de PW bepaalt dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling moet doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 18a, eerste lid, van de PW bepaalt dat het college een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, en artikel 30c, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld of de gegevens en bewijsstukken, bedoeld in artikel 30c, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn verstrekt en deze overtredingen opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, en artikel 30c, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld of de gegevens en bewijsstukken, bedoeld in artikel 30c, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn verstrekt en deze overtredingen niet opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 18a, tweede lid, van de PW bepaalt dat in dit artikel onder benadelingsbedrag wordt verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand of studietoeslag als bedoeld in artikel 36b is ontvangen.
Artikel 18a, zevende lid, van de PW bepaalt dat het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Artikel 54, derde lid, van de PW bepaalt dat het college een besluit tot toekenning van bijstand herziet of intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58, eerste lid, van de PW bepaalt dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Artikel 58, achtste lid, van de PW bepaalt dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Boetebesluit socialezekerheidswetten
Artikel 2 van Pro het Boetebesluit socialezekerheidswetten bepaalt, voor zover hier van belang als volgt:
1. Indien als gevolg van overtreding van de inlichtingenverplichting sprake is van een benadelingsbedrag, worden bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete de uitgangspunten in het tweede tot en met het tiende lid in acht genomen.
(…)
4. Indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent van het benadelingsbedrag.
(…)
7. Indien het benadelingsbedrag, of het benadelingsbedrag bij toepassing van het zesde lid, hoger is dan 100/75 vermenigvuldigd met het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt in afwijking van het vierde en vijfde lid, de bestuurlijke boete:
a. indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, vastgesteld op 50/75 vermenigvuldigd met het bedrag van de derde categorie;
(…)
8. De percentages, genoemd in het tweede tot en met zesde lid, en de factoren, genoemd in het zevende lid, onderdelen a en b, worden zo nodig verlaagd voor de vaststelling van een evenredige bestuurlijke boete.
(…)
10. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete rust op betrokkene. Indien het bestuursorgaan op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden.
(…)

Voetnoten

1.Zie Centrale Raad van Beroep (CRvB) 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2194.
2.Zie CRvB 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512 en CRvB 14 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:459.
3.Zie CRvB 14 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:202.