ECLI:NL:RBOVE:2026:1660

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
ak_24_2860
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 4:5 AwbArt. 35 PWArt. 44 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek woonkostentoeslag wegens ontbreken nieuwe feiten

Eiseres heeft een woonkostentoeslag aangevraagd met ingang van 17 april 2023, welke door het college van burgemeester en wethouders van Zwolle is toegekend. Zij verzocht later om herziening van dit besluit met terugwerkende kracht vanaf een eerdere datum, stellende dat zij al langer financiële problemen had en niet tijdig was geïnformeerd over de toeslag.

Het college wees het herzieningsverzoek af omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd die een herziening rechtvaardigen. De rechtbank bevestigt dit oordeel en stelt dat het college niet verplicht was het verzoek inhoudelijk te beoordelen. Wel is sprake van een motiveringsgebrek omdat het college niet op de bijzondere omstandigheden is ingegaan.

De rechtbank oordeelt echter dat de afwijzing niet evident onredelijk is. De door eiseres aangevoerde omstandigheden, waaronder psychische problemen en gebrekkige informatie, zijn onvoldoende om af te wijken van het uitgangspunt dat bijstand niet met terugwerkende kracht wordt toegekend. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek woonkostentoeslag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/2860

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres (hierna: [eiseres])

gemachtigde: mr. E. Schriemer,
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder (hierna: het college),
gemachtigde: A. Guliker.

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over het niet herzien van het besluit tot toekenning van bijzondere bijstand voor een deel van de woonkosten (woonkostentoeslag) van [eiseres] op grond van de Participatiewet (PW). [eiseres] is het daarmee niet eens. Zij wil dat het college de woonkostentoeslag met ingang van een eerdere datum toekent. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college terecht heeft geweigerd de aan [eiseres] toegekende woonkostentoeslag te herzien.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het verzoek om herziening heeft mogen afwijzen. [eiseres] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met het besluit van 26 mei 2023 heeft het college aan [eiseres] vanaf 17 april 2023 tot 17 april 2024 woonkostentoeslag toegekend. Het college heeft met het besluit van
26 januari 2024 geweigerd om zijn besluit van 26 mei 2023 te herzien. Met het bestreden besluit van 12 juni 2024 op het bezwaar van [eiseres] is het college bij de weigering van de herziening gebleven.
2.2.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres], haar de gemachtigde en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Wat aan de besluitvorming vooraf ging
3.1.
[eiseres] woont in een eigen woning. Zij ontvangt van het college een bijstandsuitkering.
3.2.
[eiseres] heeft op 17 april 2023 bij het college woonkostentoeslag aangevraagd. Bij de vraag waarom [eiseres] de vergoeding op deze datum nodig heeft, heeft zij geantwoord dat het een willekeurige datum is. [eiseres] heeft in de aanvraag gemeld dat de gemeente haar al jaren dubbel belast. Zij schijft dat de gemeente zowel de tegemoetkoming voor de hypotheek van de belastingdienst (de rechtbank begrijpt dat hier de hypotheekrenteaftrek wordt bedoeld) als het volledige bedrag dat ze aan GBLT [1] moet betalen inhoudt. Dit is voor haar niet meer op te brengen. [eiseres] meldt dat haar contactpersoon bij de gemeente haar heeft gewezen op deze regeling van de woonkostentoeslag. Zij vraagt of het ook mogelijk is dat deze woonkostentoeslag met terugwerkende kracht wordt toegekend. [eiseres] laat weten dat ze nooit op deze regeling is gewezen en al lang het gevoel heeft dat ze dubbel betaalt. Zo blijft volgens haar geen geld over voor onderhoud van het huis. Als [eiseres] eerder voor de toeslag in aanmerking was gekomen, had ze kunnen sparen voor bijvoorbeeld schilderwerk.
3.3.
Het college heeft met een besluit van 12 mei 2023 geweigerd om aan [eiseres] woonkostentoeslag toe te kennen. Volgens het college had [eiseres] voldoende draagkracht om de kosten zelf te betalen. [eiseres] heeft hierop gereageerd met een mail van 23 mei 2023. Vervolgens heeft het college met een besluit van 26 mei 2023 aan [eiseres] vanaf 17 april 2023 tot 17 april 2024 een woonkostentoeslag toegekend.
3.4.
Met een mail van 11 januari 2024 heeft [eiseres] het college verzocht om opnieuw naar het besluit van 26 mei 2023 te kijken en de woonkostentoeslag alsnog met terugwerkende kracht aan haar toe te kennen. Daarop heeft het college het besluit van
26 januari 2024 en na het bezwaar van [eiseres] het bestreden besluit genomen.
Standpunten van partijen
Standpunt college
4. Het college heeft het besluit van 26 mei 2023 niet herzien. Het college onderbouwt dit met de volgende argumenten.
4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat [eiseres] geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Volgens het college is er geen sprake van dergelijke nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
4.2.
Verder is het college van mening dat de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk is, omdat het besluit van 26 mei 2023 niet onmiskenbaar onjuist is. Uit niets blijkt dat het college al vanaf 2014 bekend was met de betalingsproblemen voor de hypotheek. Ook blijkt niet dat [eiseres] haar problemen eerder bij het college kenbaar heeft gemaakt.
4.3.
Verder wijst het college erop dat het de verantwoordelijkheid van [eiseres] zelf is om tijdig bijzondere bijstand aan te vragen.
4.4.
Het college stelt ook dat bijstand met terugwerkende kracht (in principe) niet mogelijk is en dat er in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden om daarvan af te wijken.
4.5.
Daarnaast vindt het college van belang dat [eiseres] ten tijde van de aanvraag contact heeft gehad met het college. [eiseres] had, als zij het niet eens was met het besluit van
26 mei 2023, bezwaar kunnen maken. Dat heeft zij niet gedaan.
4.6.
Volgens het college kan het herzieningsverzoek niet worden opgevat als een bezwaarschrift tegen het besluit van 26 mei 2023 dat te laat is ingediend. Het college heeft het besluit van 26 mei 2023 op de juiste wijze aan [eiseres] bekend gemaakt. Zij heeft er tijdig kennis van genomen en had op tijd bezwaar kunnen maken.
Standpunt [eiseres]
5. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat aan haar met ingang van een eerdere datum dan
17 april 2023 woonkostentoeslag moet worden toegekend.
5.1.
[eiseres] voert aan dat het verzoek van 11 januari 2024 een te laat gemaakt bezwaar is. Het verzoek was mede bedoeld als bezwaar tegen de beslissing van 26 mei 2023. Daarom had het college moeten beoordelen of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. [eiseres] vindt vervolgens dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. [eiseres] heeft niet tijdig bezwaar gemaakt, omdat het college en GBLT haar verkeerde/onvolledige informatie hebben verstrekt. Haar is gemeld dat toekenning met terugwerkende kracht niet mogelijk is.
5.2.
[eiseres] vindt dat het college inhoudelijk had moeten beoordelen of zij met terugwerkende kracht in aanmerking komt voor woonkostentoeslag. Volgens [eiseres] is het college niet verplicht artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe te passen. Als sprake is van beleid voor toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb, dan doet
[eiseres] een beroep op de inherente afwijkingsbevoegdheid.
5.3.
[eiseres] is van mening dat het bestreden besluit kennelijk onredelijk is. Dat [eiseres] ook vanaf een eerdere datum recht had op een woonkostentoeslag was meteen duidelijk. [eiseres] verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). [2] [eiseres] stelt onder verwijzing naar deze uitspraak dat aan haar met terugwerkende kracht woonkostentoeslag moet worden toegekend.
5.4.
[eiseres] vindt dat het college haar ten onrechte tegenwerpt dat zij de woonkostentoeslag niet met terugwerkende kracht heeft aangevraagd. Zij wist immers door de haar gegeven informatie niet dat dit kon. [eiseres] vindt dat het college haar eerder op de mogelijkheid van een woonkostentoeslag had moeten wijzen. Dit geldt temeer nu zij eerder contact heeft gehad met het college en daarbij heeft gemeld dat zij financiële problemen had door te veel kosten voor haar eigen huis. [eiseres] verwijst naar een mail van 25 oktober 2023 en een ongedateerde mail van medewerkers van de gemeente aan haar. Tijdens de zitting heeft [eiseres] erop gewezen dat de mogelijkheid om woonkostentoeslag te krijgen heel moeilijk vindbaar is op de website van de gemeente Zwolle en dat de gemeente hierover ook op andere manieren geen informatie geeft.
5.5.
Het is volgens [eiseres] onevenredig en in strijd met de menselijke maat om haar niet met terugwerkende kracht een woonkostentoeslag toe te kennen voor een jaar of langer. In een mail van 4 juni 2024 meldt [eiseres] dat zij ook door deze problematiek psychische problemen heeft en in behandeling is.
Overwegingen van de rechtbank
Omvang geschil
6.1.
[eiseres] heeft binnen de termijn van tien dagen voor de zitting nog diverse stukken aan de rechtbank gestuurd. Tijdens de zitting is besproken dat deze documenten wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing blijven.
6.2.
Tijdens de zitting heeft [eiseres] de beroepsgrond dat de mail van 11 januari 2024 had moeten worden aangemerkt als bezwaar tegen het besluit van 26 mei 2023 laten vervallen. De rechtbank zal beoordelen of het college terecht het besluit van 26 mei 2023 niet heeft herzien, met andere woorden of het college terecht niet is teruggekomen van het besluit van 26 mei 2023.
Beoordelingskader
7. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wetsartikelen zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Verzoek om terug te komen van het besluit van 26 mei 2023
8.1.
Het is vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen, ook als de rechtzoekende aan de herhaalde aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Voor het toetsingskader is van belang welke keuze het college in het voorliggende geval maakt. [3]
8.2.
Het verzoek van [eiseres] is erop gericht dat het college alsnog vanaf een eerdere datum dan 17 april 2023 woonkostentoeslag aan haar toekent. Tijdens de zitting heeft
[eiseres] gezegd dat zij vanaf januari 2021 woonkostentoeslag wil ontvangen. Het college heeft het herzieningsverzoek van [eiseres] afgedaan met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Uit de genoemde rechtspraak volgt dat het college hiervoor mocht kiezen, als blijkt dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.
8.3.
Bij een vereenvoudigde afdoening overeenkomstig artikel 4:6, tweede lid, van de Awb beoordeelt de bestuursrechter het beroep tegen het besluit tot afwijzing van een herzieningsverzoek als volgt. Aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst de rechter of het college zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de afwijzing van het herzieningsverzoek die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat die afwijzing evident onredelijk is. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [4]
8.4.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Zijn er wel nieuwe feiten aangevoerd, dan zijn niettemin toch geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. Dit is vaste rechtspraak [5] . Nieuwe argumenten zijn op zichzelf onvoldoende om als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangemerkt te worden, als zij eerder naar voren gebracht hadden kunnen en moeten worden [6] .
8.5.
De rechtbank is net als het college van oordeel dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die tot herziening van de toekenning van de woonkostentoeslag zouden moeten leiden. Dat [eiseres] al lang financiële problemen had door haar woonkosten en dat zij niet eerder op de regeling is gewezen is niet nieuw. Dat heeft ze in haar aanvraag van 17 april 2023 ook gemeld. Daarbij heeft ze gevraagd of de woonkostentoeslag met terugwerkende kracht kan worden toegekend. Dat de financiële situatie van [eiseres] heeft geleid tot psychische problemen is een kale stelling, die zij niet met (medische) stukken heeft onderbouwd en bovendien eerder had kunnen aanvoeren. Het college hoefde dus niet volledig en inhoudelijk te beoordelen of [eiseres] met ingang van een eerdere datum dan 17 april 2023 in aanmerking komt voor woonkostentoeslag.
Evidente onredelijkheid
8.6.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Als een oorspronkelijk besluit onmiskenbaar onjuist is, kan dat worden betrokken bij de beoordeling of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of een summier onderzoek moet voldoende zijn om te kunnen concluderen dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is. [7]
8.7.
Het is vaste rechtspraak dat in beginsel geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of – in voorkomende gevallen – een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit is vaste rechtspraak. [8] Dit geldt ook voor bijzondere bijstand. [9] Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend.
8.8.
Uit het besluit van 26 januari 2024 blijkt dat het college deze lijn ook hanteert. Het college heeft daar namelijk vermeld dat bijstand met terugwerkende kracht (in principe) niet mogelijk is en dat het college geen bijzondere omstandigheden bekend zijn om hiervan af te wijken.
8.9.
[eiseres] heeft in haar aanvraag van 17 april 2023 gevraagd of het mogelijk is de woonkostentoeslag met terugwerkende kracht toe te kennen. Zij heeft daarbij bijzondere omstandigheden genoemd. Hierop is het college in het besluit van 26 mei 2023 niet ingegaan. De rechtbank is van oordeel dat dit onzorgvuldig is. Er is sprake van een motiveringsgebrek.
8.10.
De rechtbank is echter van oordeel dat de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk is. Het besluit van 26 mei 2023 is, ondanks het motiveringsgebrek, niet onmiskenbaar onjuist. Om te kunnen beoordelen of aan [eiseres] met ingang van een eerdere datum dan 17 april 2023 woonkostentoeslag moet worden toegekend, is meer nodig dan een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of een summier onderzoek. Alleen als sprake is van bijzondere omstandigheden kan namelijk worden afgeweken van het uitgangspunt dat woonkostentoeslag niet met terugwerkende kracht wordt toegekend. Om te kunnen beoordelen of sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden, die afwijking van dat uitgangspunt nodig maken, is nader onderzoek nodig. Ook uit de door [eiseres] genoemde uitspraak van de CRvB [10] volgt niet dat de afwijzing van het verzoek om herziening voor [eiseres] evident onredelijk is. De situatie in die zaak is namelijk niet vergelijkbaar met die van [eiseres]. In die zaak heeft de SVB het verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit in volle omvang heroverwogen en dat heeft het college in de situatie van [eiseres] niet gedaan en ook niet hoeven doen. De omstandigheden die eiser noemt leiden evenmin tot het oordeel dat de afwijzing van het verzoek om herziening evident onredelijk is. Dat [eiseres] door gebrekkige informatie van het college niet eerder wist dat zij woonkostentoeslag kon aanvragen is hiervoor onvoldoende. Op het eerste gezicht is niet aannemelijk dat [eiseres] van de mogelijkheid woonkostentoeslag aan te vragen geen kennis heeft kunnen dragen. Ook de psychische en financiële problemen waar [eiseres] over schrijft, maken het niet evident onredelijk om haar niet met terugwerkende kracht woonkostentoeslag toe te kennen.
Slotsom
8.11.
Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat het college het verzoek om terug te komen van het besluit van 26 mei 2023 (het verzoek om herziening) heeft mogen afwijzen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetsartikelen

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 4:6, eerste lid, van de Awb bepaalt dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
Artikel 4:6, tweede lid, van de Awb bepaalt dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Participatiewet (PW)
Artikel 35, eerste lid, van de PW bepaalt dat onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
Artikel 44, eerste lid, van de PW bepaalt dat indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

Voetnoten

1.Samenwerkingsverband voor het heffen en innen van belastingen voor onder meer de gemeente Zwolle.
2.Uitspraak van de CRvB van 3 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1899.
3.Zie de uitspraken van de CRvB van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en van 25 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:288.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115 en van 23 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:815.
5.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2330.
6.Zie ook de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 21 december 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BZ1698.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 23 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1106 en van 23 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:815.
8.Zie bijvoorbeeld CRvB 17 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:984.
9.Zie de uitspraak van de CRvB van 11 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:667.
10.Zie de uitspraak van de CRvB van 3 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1899.