Eisers, eigenaar en huurder van twee panden met bedrijfsbestemming, maakten bezwaar tegen een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Enschede wegens illegale bewoning. De last betrof het beëindigen van de bewoning en het ongedaan maken van verbouwingen.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht handhavend optreedt tegen de illegale bewoning, maar onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de huurder en haar minderjarige kinderen in één van de panden. Het college heeft nagelaten deze belangen expliciet te wegen en te motiveren waarom de last proportioneel is, zoals vereist op grond van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind en het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover het de last onder dwangsom betreft die ziet op het pand waarin de huurder woont. Het college moet opnieuw beslissen en daarbij de belangen van de huurder en haar kinderen zorgvuldig afwegen en motiveren. Voor het andere pand blijft het besluit in stand. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.