Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2293

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
ak_25_1065
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding meerkosten autorijles aangepaste auto wegens onvoldoende zicht op baan

De rechtbank Overijssel heeft het beroep van eiser tegen het besluit van het UWV ongegrond verklaard. Het UWV had geweigerd de meerkosten voor autorijles in een aangepaste auto te vergoeden. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bezit van een rijbewijs zijn zicht op een baan aanzienlijk verbetert, zoals vereist op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Eiser had na een tussenuitspraak aanvullende informatie overgelegd, waaronder een e-mail van een recruiter van Pernu, die aangaf dat een rijbewijs het zicht op werk zou kunnen verbeteren. De rechtbank weegt mee dat deze verklaring niet gebaseerd is op een gedegen intake of concrete vacatures, en dat functies waarvoor een rijbewijs nodig is via Pernu zelden voorkomen.

Ook is niet gebleken dat een rijbewijs noodzakelijk is voor het woon-werkverkeer, noch dat andere vervoersvoorzieningen niet mogelijk zijn. De rechtbank handhaaft daarom het besluit van het UWV en wijst het beroep af. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om de meerkosten voor autorijles niet te vergoeden blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1065

einduitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser (hierna: [eiser])

gemachtigde: mr. L. de Widt,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder (hierna: het UWV)
gemachtigde: W. Prins.

Samenvatting

Deze uitspraak is een vervolg op de tussenuitspraak van 31 oktober 2025 met zaaknummer ZWO 25/1065 T [1] (hierna: de tussenuitspraak). De rechtbank komt tot het oordeel dat het UWV terecht heeft geweigerd om aan [eiser] de meerkosten voor autorijles in een aangepaste auto te vergoeden. Het beroep is ongegrond en [eiser] krijgt geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1.1.
Het UWV heeft met het besluit van 10 februari 2025 geweigerd om aan [eiser] een vervoersvoorziening toe te kennen. Met het bestreden besluit van 17 maart 2025 op het bezwaar van [eiser] is het UWV bij het niet toekennen van de vervoersvoorziening gebleven.
1.2.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], de gemachtigde van [eiser], een oom van [eiser] en de gemachtigde van het UWV.
1.4.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank [eiser] in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending daarvan, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, een nadere onderbouwing te geven.
1.5.
[eiser] heeft in reactie op de tussenuitspraak een bericht van Senior HR Recruiter
[recruiter], werkzaam bij Pernu, (hierna: de recruiter) toegestuurd.
1.6.
Het UWV heeft hierop schriftelijk gereageerd.
1.7.
De rechtbank heeft partijen en de recruiter laten weten dat zij voornemens is om het beroep op een nadere zitting te behandelen en daarbij de recruiter als getuige op te roepen.
1.8.
De recruiter heeft daarop een bericht aan de rechtbank gestuurd.
1.9.
De rechtbank heeft partijen gemeld voornemens te zijn om af te zien van een getuigenverhoor en de zaak verder te beoordelen op basis van de schriftelijke stukken in het dossier. De rechtbank heeft partijen gevraagd om een reactie hierop en om te reageren op het bericht van de recruiter.
1.10.
Partijen hebben een reactie gegeven op de mail van de recruiter en laten weten dat zij instemmen met het afzien van een nadere zitting.
1.11.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

De tussenuitspraak
2.1.
Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar vaste rechtspraak. [2]
2.2.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het UWV - door ervan uit te gaan dat sprake moet zijn van een bindende afspraak met een werkgever, waaruit blijkt dat [eiser] kan komen werken als hij zijn rijbewijs heeft behaald - een te beperkte uitleg geeft aan de woorden ‘arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten’ in artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Naar het oordeel van de rechtbank gaat het er niet om dat er zicht bestaat op een concrete baan, maar dat er concreet zicht bestaat op een baan. Van belang is dat [eiser] aannemelijk maakt dat het bezit van een rijbewijs zijn zicht op een baan aanzienlijk verbetert.
2.3.
De rechtbank heeft [eiser] in de gelegenheid gesteld om nader te onderbouwen dat het bezit van een rijbewijs zijn zicht op een baan aanzienlijk verbetert. De rechtbank heeft overwogen dat met behulp van Pernu wellicht meer informatie te verkrijgen is over de zoektocht van [eiser] naar werk en zijn mogelijkheden daarin. De rechtbank heeft [eiser] meegegeven dat Pernu misschien meer informatie kan verschaffen over de mogelijkheden van [eiser], op welke vacatures en bij welke potentiële werkgevers [eiser] met zijn mogelijkheden zou kunnen reageren, welke eisen in de vacatures aan de medewerkers verder nog worden gesteld en in hoeverre een rijbewijs voor [eiser] het zicht op werk verbetert.
De herstelpoging
2.4.
Na de tussenuitspraak heeft [eiser] de recruiter werkzaam bij Pernu opnieuw benaderd. [eiser] heeft een mail van 25 november 2025 van de recruiter overgelegd, waarop de rechtbank voornemens was om de recruiter op te roepen om als getuige op zitting te worden gehoord. Naar aanleiding van de voorgenomen oproeping als getuige heeft de recruiter een bericht van 4 februari 2026 aan de rechtbank gestuurd. In dat bericht heeft de recruiter het volgende toegelicht:
[eiser] heeft in februari 2025 gereageerd op een vacature medewerker ICT Rijkskantoren bij Justitiële ICT organisatie landelijk. Een medewerker van Pernu heeft [eiser] medegedeeld dat hij niet in aanmerking kwam voor de functie, omdat hij geen rijbewijs heeft. Pernu heeft [eiser] daarna niet verder meegenomen in de procedure en er heeft geen officiële kennismaking of screeningsprocedure plaatsgevonden.
[eiser] heeft de recruiter in juli 2025 benaderd met de vraag of zij wilde bevestigen dat [eiser] was afgewezen vanwege het ontbreken van een rijbewijs. Daarop heeft zij de mail gestuurd, die in de tussenuitspraak is aangehaald. Vervolgens heeft [eiser] naar aanleiding van de tussenuitspraak de recruiter opnieuw benaderd. De recruiter heeft daarop in een bericht van 25 november 2025 gemeld dat het zicht van [eiser] op werk zal verbeteren, indien hij in het bezit is van een rijbewijs. Het zal dan bijvoorbeeld gaan om werkzaamheden voor een functie medewerker ICT landelijk waarvoor naar verschillende locaties moet worden gereisd. In de mail staat dat Pernu hiervoor verschillende werkgevers in portefeuille heeft, waar [eiser] geplaatst zou kunnen worden. In de mail is ook vermeld dat [eiser], behoudens het ontbreken van een rijbewijs, voldoet aan de eisen voor die functie(s) waarbij tevens rekening is gehouden met zijn beperkingen.
In de mail van 4 februari 2026 heeft de recruiter uitgelegd dat de tekst in de mail van
25 november 2025 is opgesteld door de gemachtigde van [eiser] en dat zij deze mail snel, zonder verder vragen te stellen en naar het cv van [eiser] te kijken, heeft verstuurd om [eiser] te helpen.
2.5.
Uit de mail van 4 februari 2026 blijkt verder dat de recruiter later alsnog het cv van [eiser] heeft bekeken. Zij laat weten dat Pernu [eiser] zou kunnen bemiddelen op bijvoorbeeld functies voor ICT-medewerker of baliemedewerker. De recruiter merkt daarbij op dat dit uitsluitend een eerste inschatting is op basis van het cv van [eiser]. Een daadwerkelijke bemiddeling zou altijd voorafgegaan moeten worden door een uitgebreide kennismaking/intake, waarin de talenten en ondersteuningsbehoeften van [eiser] in kaart worden gebracht. Pernu werkt landelijk. De recruiter heeft toegelicht dat Pernu vooral veel vacatures heeft bij verschillende overheidsorganisaties, zoals de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), de Belastingdienst en verschillende ministeries en ook bij private bedrijven. Het is niet te voorspellen op welke locaties en op welk moment vacatures beschikbaar komen. De recruiter heeft ook gemeld dat Pernu zelden functies heeft waarvoor frequent reizen tussen verschillende locaties noodzakelijk is, omdat dit doorgaans minder passend is voor de doelgroep waar Pernu mee werkt. Omdat [eiser] zowel binnenshuis als buitenshuis afhankelijk is van zijn rolstoel en geen mogelijkheden heeft om naar het werk te gaan met het openbaar vervoer, vindt de recruiter het wenselijk dat hij beschikt over een rijbewijs. Dit kan zijn kansen op de arbeidsmarkt vergroten.
2.6.
Het UWV heeft in reactie op de mail van 4 februari 2026 van de recruiter laten weten dat het van mening blijft dat [eiser] niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor vergoeding van de meerkosten voor een rijbewijs voor een aangepaste auto. [eiser] handhaaft het standpunt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van de voorziening.
Het eindoordeel van de rechtbank
3. De rechtbank is van oordeel dat met de mails van de recruiter niet aannemelijk is geworden dat het bezit van een rijbewijs het zicht van [eiser] op een baan aanzienlijk verbetert. Volgens de recruiter zou [eiser] bemiddeld kunnen worden naar functies voor ICT- of baliemedewerker, maar dit is niet gebaseerd op de mogelijkheden van [eiser]. Zijn talenten en ondersteuningsbehoeften zijn namelijk niet in kaart gebracht. Uit de mails blijkt ook niet concreet op welke vacatures [eiser] met zijn mogelijkheden zou kunnen reageren en welke eisen in de vacatures aan de medewerkers verder nog worden gesteld. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat Pernu zelden functies heeft waarvoor frequent reizen tussen verschillende locaties noodzakelijk is, omdat dit minder passend is voor mensen met een beperking. Hieruit leidt de rechtbank af dat functies waarvoor een rijbewijs nodig is, via Pernu niet vaak worden aangeboden. Daarom vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat een rijbewijs het zicht van [eiser] op een baan via Pernu aanzienlijk zal verbeteren. Dat een rijbewijs het zicht van [eiser] op werk, via Pernu of anderszins, zodanig zal verbeteren dat gezegd kan worden dat er concreet zicht op werk ontstaat, is voor de rechtbank dan ook niet gebleken. Verder vindt de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat voor het woon- werkverkeer een rijbewijs noodzakelijk is. Niet gebleken is namelijk dat een andere vervoersvoorziening voor [eiser] niet mogelijk is.

Conclusie en gevolgen

4. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Het bestreden besluit om de meerkosten voor autorijles in een aangepaste auto niet te vergoeden blijft in stand. [eiser] krijgt dus geen gelijk. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Overijssel 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:6356.
2.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en 15 augustus 2012 ECLI:NL:RVS:2012:BX4694 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2833.