ECLI:NL:RBOVE:2026:3611

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
ak_24_2900
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 WnbArt. 9.4 WnbArt. 6 HabitatrichtlijnArt. 7:12 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging positieve weigering natuurvergunning wegens onjuiste grondslag intern salderen

De zaak betreft een beroep van Coöperatie Mobilisation for the Environment tegen het besluit van Gedeputeerde Staten (GS) Overijssel om een natuurvergunning aan een geitenhouderij niet te verlenen, omdat volgens GS geen vergunning nodig zou zijn op grond van intern salderen in de voortoets.

De rechtbank stelt vast dat de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2024 duidelijk maakt dat intern salderen in de voortoets niet is toegestaan. Hierdoor berust het bestreden besluit op een onjuiste grondslag en moet het worden vernietigd.

Verder oordeelt de rechtbank dat de milieuvergunning van 2 september 2002 niet kan worden aangemerkt als een natuurtoestemming in de zin van artikel 9.4, achtste lid, van de Wet natuurbescherming, omdat niet is gebleken dat bij de verlening van die vergunning voor alle relevante Natura 2000-gebieden artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn is toegepast. Hierdoor kan de milieuvergunning niet als referentiesituatie dienen en is geen sprake van één-en-hetzelfde project.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en beveelt GS om opnieuw te beslissen op de aanvraag. Tevens wordt GS veroordeeld tot betaling van proceskosten aan MOB.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; GS moet opnieuw beslissen op de aanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/2900

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A.en
Stichting Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen, eisers (MOB, tezamen en in enkelvoud),
gemachtigde: mr. D. Delibes,
en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel, verweerder (GS).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde belanghebbende], uit [vestigingsplaats] ([derde belanghebbende]),
gemachtigde: [gemachtigde].

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak gaat over de zogenaamde positieve weigering van GS om aan [derde belanghebbende] een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) te verlenen. In het bestreden besluit is op basis van intern salderen in de voortoets geconcludeerd dat geen vergunning vereist is. Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 december 2024 volgt dat deze benadering niet is toegestaan, zodat het besluit op een onjuiste grondslag berust en door de rechtbank wordt vernietigd.
1.2
De rechtbank beoordeelt vervolgens of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. Daarbij is doorslaggevend of de milieuvergunning van
2 september 2002 kan worden aangemerkt als een natuurtoestemming in de zin van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, waaraan de referentiesituatie (de bestaande vergunde situatie, waarmee wordt vergeleken of het project tot meer stikstofdepositie leidt) kan worden ontleend. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is omdat uit de milieuvergunning niet blijkt dat bij de verlening daarvan voor alle betrokken Natura 2000-gebieden artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn in acht is genomen. Daarom kan geen referentiesituatie aan die vergunning worden ontleend en blijven de rechtsgevolgen niet in stand. Het beroep is gegrond en GS moet opnieuw op de aanvraag van [derde belanghebbende] beslissen.

Procesverloop

2.1
Bij besluit van 24 april 2024 (het bestreden besluit) heeft GS de aanvraag van [derde belanghebbende] voor een vergunning op grond van de Wnb afgewezen.
2.2
MOB heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3
GS heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd.
2.4
Bij brief van 20 maart 2025 heeft de rechtbank, kort weergegeven, aan partijen gevraagd om aan te geven welke gevolgen de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024 [1] (hierna: de 18 december-uitspraken) hebben voor (de beoordeling van) het beroep.
2.5
MOB en GS hebben gereageerd op de brief van de rechtbank van 20 maart 2025.
2.6
Daarna hebben MOB en GS nog aanvullende stukken ingediend en op elkaars stukken gereageerd.
2.7
De rechtbank heeft het beroep, samen met het beroep met zaaknummer ZWO 24/3893, op 23 april 2026 op zitting behandeld. Namens MOB heeft haar gemachtigde aan de zitting deelgenomen. GS heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2]. Namens [derde belanghebbende] was niemand aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Aanleiding; de feiten
3.1
[derde belanghebbende] exploiteert op het perceel [adres] een geitenhouderij. Bij besluit van 2 september 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hellendoorn aan [derde belanghebbende] een vergunning op grond van de Wet milieubeheer (hierna: de milieuvergunning) verleend voor het houden van de volgende dieren in vier stallen:
  • 574 geiten ouder dan één jaar (Rav-code C 1.100);
  • 80 opfokgeiten van 61 dagen tot en met één jaar (Rav-code C 2.100);
  • 300 opfokgeiten van nul tot en met 60 dagen (Rav-code C 3.100).
3.2
Op 9 februari 2021 heeft [derde belanghebbende] bij GS een aanvraag ingediend voor een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb voor het in werking hebben van de geitenhouderij. Na deze datum heeft [derde belanghebbende] meerdere keren nadere stukken ingediend ter aanvulling van de aanvraag. [derde belanghebbende] heeft een Wnb-vergunning aangevraagd voor het houden van de volgende dieren in vier stallen:
  • 574 geiten ouder dan één jaar (Rav-code C 1.100);
  • 80 opfokgeiten van 61 dagen tot en met één jaar (Rav-code C 2.100);
  • 300 opfokgeiten van nul tot en met 60 dagen (Rav-code C 3.100).
3.3
Op 11 augustus 2023 heeft GS een ontwerpbesluit op de aanvraag bekendgemaakt, waarna dit ontwerpbesluit en de daarbij behorende stukken zes weken ter inzage hebben gelegen. Tijdens deze periode heeft Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. een zienswijze tegen het ontwerpbesluit ingediend.
3.4
In het bestreden besluit heeft GS geweigerd om de gevraagde Wnb-vergunning aan [derde belanghebbende] te verlenen, omdat volgens GS voor de aangevraagde situatie geen Wnb-vergunning nodig is. Hieraan heeft GS ten grondslag gelegd dat uit de berekeningen die op
1 februari 2024 zijn gemaakt met AERIUS Calculator blijkt dat de aangevraagde situatie, ten opzichte van de situatie waarvoor de milieuvergunning is verleend, niet leidt tot een toename van stikstofdepositie in een Natura 2000-gebied. Daarbij heeft GS vastgesteld dat rondom het bedrijf van [derde belanghebbende] zich meerdere voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden bevinden. De situatie waarvoor de milieuvergunning is verleend heeft GS aangemerkt als de referentiesituatie. Omdat de aangevraagde situatie ten opzichte van de referentiesituatie niet leidt tot een toename van stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden, kan worden uitgesloten dat de aangevraagde situatie leidt tot een verslechtering van de kwaliteit van die gebieden. Daarom is voor de aangevraagde situatie geen Wnb-vergunning vereist, aldus GS in het bestreden besluit. Deze methode van vergelijking van de aangevraagde situatie met de referentiesituatie heet intern salderen. De weigering om een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb te verlenen omdat die niet nodig is, heet een ‘positieve weigering’.
De 18 december-uitspraken
4. In de 18 december-uitspraken heeft de Afdeling, naar aanleiding van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), haar rechtspraak over intern salderen gewijzigd. Die wijziging houdt kort weergegeven in dat de referentiesituatie niet meer mag worden betrokken bij de vraag of significante gevolgen van een project op voorhand zijn uitgesloten. In de voortoets mag dus, anders dan voorheen, voor de beoordeling of significante gevolgen van een project zijn uitgesloten, geen vergelijking worden gemaakt van de gevolgen van de bestaande vergunde situatie en de gevolgen van het project na wijziging. Als uit de voortoets volgt dat significante gevolgen niet op voorhand zijn uitgesloten, dan is voor het project een natuurvergunning nodig. Bij de beoordeling of de natuurvergunning kan worden verleend kan intern salderen met de referentiesituatie nog wel een rol spelen. Intern salderen met de referentiesituatie mag namelijk als mitigerende maatregel worden betrokken in de passende beoordeling van het project.
Verder blijkt uit de 18 december-uitspraken dat van een project in ieder geval sprake is als op een locatie een geheel nieuwe activiteit wordt gerealiseerd. Voor de vraag wanneer de wijziging van een bestaande activiteit een project is, is het Stadt-Papenburg-arrest [2] en punt 35 van het AquaPri-arrest [3] van belang. Daaruit volgt dat wanneer een project, dat beschikt over een natuurtoestemming of een milieutoestemming van voor de referentiedatum die nadien is gecontinueerd, niet langer als één-en-hetzelfde project wordt voortgezet, sprake is van een gewijzigd en daarmee van een nieuw project. Dat nieuwe project is het bestaande project zoals dat na de wijziging zal worden voortgezet. In de voortoets moeten de gevolgen van het gehele project na wijziging worden beoordeeld. [4]
Gewijzigd standpunt GS
5. In zijn reactie op de brief van de rechtbank van 20 maart 2025 heeft GS aangegeven dat uit de 18 december-uitspraken volgt dat het afzetten van de gevolgen van de aangevraagde situatie tegen de gevolgen van de referentiesituatie (het intern salderen) niet had mogen plaatsvinden in de voortoets, maar in een passende beoordeling had moeten worden gedaan. GS blijft echter van mening dat voor de aangevraagde situatie geen Wnb-vergunning nodig is en dat de ‘positieve weigering’ van de vergunning in stand kan worden gelaten. Volgens GS blijkt uit de rechtsoverwegingen 17 en 17.5 van de uitspraak met nummer ECLI:NL:RVS:2024:4923 namelijk dat wanneer een project een voortzetting is van één-en-hetzelfde project geen vergunningplicht op grond van de Wnb geldt en niet hoeft te worden beoordeeld of het project significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Volgens GS mag de geitenhouderij op basis van de milieuvergunning op het perceel [adres] worden geëxploiteerd en geldt die vergunning nog steeds als de referentiesituatie. Het project waarvoor [derde belanghebbende] een Wnb-vergunning heeft aangevraagd is een ongewijzigde voortzetting van de bestaande activiteit, zodat sprake is van één-en-hetzelfde project en geen nieuwe natuurvergunning nodig is.
Is Stichting Mobilisation for the Environment belanghebbende?
6.1
De rechtbank heeft in deze zaak ambtshalve de vraag aan de orde gesteld of Stichting Mobilisation for the Environment (de Stichting) belanghebbende is bij het bestreden besluit. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat de Stichting geen zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit. Met de brief van 21 april 2026 heeft de rechtbank de Stichting gevraagd om op de zitting van 23 april 2026 een overzicht te geven van de feitelijke werkzaamheden die zij ten tijde van het instellen van het beroep heeft verricht.
6.2
Op de zitting zijn de feitelijke werkzaamheden van de Stichting besproken. Na de zitting heeft zij een overzicht van en toelichting op haar feitelijke werkzaamheden bij de rechtbank ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank houden de feitelijke werkzaamheden van de Stichting verband met de algemene belangen die zij volgens de doelstellingen in haar statuten in het bijzonder behartigt. Die werkzaamheden zijn in ieder geval ook gericht op het beperken van stikstofdepositie en op de maatschappelijke discussie over de noodzaak daartoe. Ook blijkt uit het door de Stichting overgelegde overzicht dat de werkzaamheden doorlopend worden verricht en actueel zijn. Verder stelt de rechtbank vast dat de algemene belangen die de Stichting in het bijzonder behartigt, ook de belangen zijn waarvoor zij in deze procedure opkomt (bescherming van natuur en milieu; bevordering van systematische verlaging van stikstofdeposities). De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Stichting, gelet op haar doelstellingen en feitelijke werkzaamheden, in deze procedure belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat de Stichting bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van de Awb, kan de rechtbank het beroep, ook voor zover het door de Stichting is ingediend, inhoudelijk beoordelen. [5]
Inhoudelijke beoordeling van het beroep
Wnb blijft van toepassing
7.1
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een vergunning op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
7.2
De aanvraag voor een Wnb-vergunning is ingediend op 9 februari 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
7.3
De voor deze zaak belangrijke regelgeving, zoals die luidde vóór 1 januari 2024, is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Gevolgen 18 december-uitspraken voor het bestreden besluit
8.1
In de 18 december-uitspraken heeft de Afdeling bepaald dat de wijziging van de rechtspraak over interen salderen direct van toepassing is in lopende natuurvergunning-procedures. Hieruit volgt dat, omdat in het bestreden besluit op basis van intern salderen in de voortoets is geconcludeerd dat [derde belanghebbende] voor de aangevraagde situatie geen Wnb-vergunning nodig heeft, het bestreden besluit op een onjuiste grondslag berust. Het college heeft dit in zijn reactie op de brief van de rechtbank van 20 maart 2025 ook erkend. Dit betekent dat het beroep alleen al om deze reden gegrond is en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb moet worden vernietigd.
8.2
In het vervolg van deze uitspraak zal de rechtbank beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten. Daarbij stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat de situatie waarvoor [derde belanghebbende] een Wnb-vergunning heeft aangevraagd dezelfde is als de situatie waarvoor de milieuvergunning is verleend. De vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden is daarom of de situatie waarvoor de milieuvergunning is verleend kan worden aangemerkt als bestaand project waarvoor een natuurvergunning is verleend of waarvoor vóór de van toepassing zijnde referentiedatum een milieutoestemming is verleend. Als dat zo is, dan ziet de Wnb-aanvraag op de voortzetting van één-en-hetzelfde-project, waarvoor geen (nieuwe) Wnb-vergunning is vereist. Als dat niet zo is, dan kan de aangevraagde situatie niet worden aangemerkt als de voortzetting van één-en-hetzelfde project. In dat geval is sprake van een nieuw project, waarvan moet worden beoordeeld of op grond van objectieve gegevens significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied op voorhand kunnen worden uitgesloten. Als dat niet het geval is, is voor dat project een natuurvergunning vereist en kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit dus niet in stand blijven.
Geldt de milieuvergunning als referentiesituatie?
9.1
Volgens GS moet de milieuvergunning uit 2002 in dit geval tevens worden aangemerkt als een natuurtoestemming. In de milieuvergunning is het aangevraagde project namelijk rechtstreeks getoetst aan artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn (Hrl) [6] : via een habitattoets is beoordeeld of de instandhouding van gebieden die zijn aangemeld als Vogel- of Habitatrichtlijngebied (de latere Natura 2000-gebieden) nadelig worden beïnvloed door het aangevraagde project. In de milieuvergunning is geconcludeerd dat de aangevraagde inrichting geen invloed heeft op deze Vogel- of Habitatrichtlijngebieden. Omdat de milieuvergunning is verleend met inachtneming van het tweede, derde en vierde lid van artikel 6 van Pro de Hrl is voor de situatie waarvoor die vergunning is verleend op grond van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb geen nieuwe beoordeling op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb vereist. Dat de milieuvergunning in artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb niet wordt gelijkgesteld met een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb maakt dit volgens GS niet anders. Omdat de milieuvergunning in dit geval tevens moet worden aangemerkt als een natuurtoestemming, geldt de situatie waarvoor die is verleend bij de beoordeling van de aanvraag voor een Wnb-vergunning als referentiesituatie. Omdat de aangevraagde situatie gelijk is aan de referentiesituatie, is sprake van voortzetting van één-en-hetzelfde project, wat tot gevolg heeft dat geen nieuwe natuurvergunning nodig is. Dit betekent dat de aanvraag terecht ‘positief’ is geweigerd, aldus GS. Ter onderbouwing van dit betoog wijst GS onder meer op de toelichting op artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb in de Memorie van toelichting [7] bij de Wnb en op uitspraken van de rechtbank Overijssel van 11 mei 2022 en 22 maart 2024. [8]
9.2
MOB voert op dit punt aan dat uit de stukken blijkt dat bij de beoordeling van de Wnb-aanvraag zeven omliggende Natura 2000-gebieden zijn betrokken. Dat zijn de gebieden Wierdense Veld, Sallandse Heuvelrug, Engbertsdijksvenen, Boetelerveld, Vecht- en Beneden-Reggegebied, Borkeld en Springendal & Dal van de Mosbeek. Voor het Natura 2000-gebied Engbertsdijksvenen geldt 10 juni 1994 als referentiedatum en voor het Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug is de referentiedatum 24 maart 2000. Omdat de milieuvergunning ná deze data is verleend, kan de situatie waarvoor die vergunning is verleend volgens MOB niet dienen als referentiesituatie. Daarnaast bestrijdt zij dat de milieuvergunning van [derde belanghebbende] is verleend met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Hrl. Het overgangsrecht uit artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb is daarom niet van toepassing op de milieuvergunning zodat die niet kan worden gezien als een met een natuurvergunning gelijkgestelde vergunning. Ter onderbouwing hiervan wijst MOB onder meer op uitspraken van de Afdeling van 3 mei 2023 [9] en de rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2025 [10] Omdat [derde belanghebbende] niet beschikt over een natuurtoestemming of een milieutoestemming van voor alle relevante referentiedata, beschikt [derde belanghebbende] niet over een referentiesituatie. Daarom is geen sprake van één-en-hetzelfde project als bedoeld in de 18 december-uitspraken en kan de Wnb-vergunning niet positief worden geweigerd, aldus MOB.
9.3
De rechtbank overweegt als volgt.
9.3.1
Het is vaste rechtspraak dat de referentiesituatie wordt ontleend aan de natuurvergunning voor het toegestane project op de locatie waar de beoogde activiteit is voorzien. Bij het ontbreken van een natuurvergunning wordt de referentiesituatie ontleend aan de milieutoestemming die gold op de referentiedatum (dat is het moment waarop artikel 6 van Pro de Hrl van toepassing werd op het betrokken Natura 2000-gebied). Wanneer daarna een milieutoestemming is verleend voor een activiteit met minder gevolgen voor Natura 2000-gebieden dan de op de referentiedatum toegestane activiteit, geldt die latere toestemming als referentiesituatie. [11]
9.3.2
Niet in geschil is dat het project van [derde belanghebbende] stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Engbertsdijksvenen veroorzaakt en dat bij de beoordeling van de Wnb-aanvraag onder meer naar de mogelijke gevolgen voor dit gebied moet worden gekeken. Ook is niet in geschil dat de referentiedatum voor dit gebied 10 juni 1994 is. Ter zitting heeft GS ook erkend dat deze datum de voor dit geschil geldende referentiedatum is. De milieuvergunning is na deze referentiedatum verleend. Gelet op wat GS ter zitting heeft verklaard, stelt de rechtbank vast dat de referentiesituatie, zijnde de vergunde situatie op de referentiedatum, niet direct aan de milieuvergunning kan worden ontleend. Deze zaak komt daarom neer op de vraag of de milieuvergunning op grond van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb kan worden aangemerkt als een natuurtoestemming waaraan de referentiesituatie kan worden ontleend.
9.3.3
Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. In de overwegingen in de milieuvergunning zijn bij de toetsing aan artikel 6 van Pro de Hrl alleen de Natura 2000-gebieden Wierdense Veld en Sallandse Heuvelrug betrokken. Daarbij is alleen op basis van de afstand van het bedrijf van [derde belanghebbende] tot het Natura 2000-gebied Wierdense Veld (circa 3,4 km) geconcludeerd dat er geen reden is om te veronderstellen dat de vergunningaanvraag zal leiden tot een onacceptabele potentiële negatieve invloed op het voorbestaan van de aanwezige natuurlijks habitats in Natura 2000-gebieden. De rechtbank is van oordeel dat op basis hiervan niet kan worden vastgesteld dat bij de verlening van de milieuvergunning voor het project van [derde belanghebbende] artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Hrl in acht is genomen. In de milieuvergunning wordt geen inzicht gegeven in specifiek te beschermen habitattypen en de instandhoudingsdoelstellingen. Evenmin wordt ingegaan op de andere Natura 2000-gebieden (waaronder de door MOB genoemde gebieden Vecht- en Beneden-Reggegebied, Engbertsdijksvenen, Boetelerveld, Borkeld en Springendal & Dal van de Mosbeek) die voor de beoordeling relevant zijn. Niet is gebleken dat in de milieuvergunning deze gebieden bij de beoordeling zijn betrokken. Die gebieden liggen weliswaar op grotere afstand van het bedrijf van [derde belanghebbende] dan het gebied Wierdense Veld, maar dat vormt naar het oordeel van de rechtbank geen reden om deze buiten beschouwing te laten bij de toets aan artikel 6 van Pro de Hrl.
9.3.4
De rechtbank concludeert dan ook dat het besluit tot verlening van de milieuvergunning geen besluit is als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb omdat uit de milieuvergunning niet blijkt dat bij de verlening daarvan voor alle betrokken Natura 2000-gebieden artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Hrl in acht is genomen. De door GS genoemde uitspraken van deze rechtbank van 11 mei 2022 en 22 maart 2024, leiden niet tot een ander oordeel. In die uitspraken oordeelde de rechtbank, kort weergegeven, dat de daar relevante vergunningen met inachtneming van artikel 6 van Pro de Hrl zijn verleend en dat de omstandigheid dat die beoordeling met de kennis van nu wellicht anders of meer indringend zou zijn uitgevoerd, geen afbreuk deed aan het onherroepelijke karakter van die vergunningen. De rechtbank komt op grond van de recentere rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraken van 20 maart 2024 en 15 en 22 april 2026, afgezet tegen wat in de milieuvergunning in deze zaak is overwogen over de Hrl, in deze uitspraak tot een andere conclusie. [12] Artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb vereist dat het project is toegestaan met inachtneming van artikel 6 van Pro de Hrl. Daaruit volgt dat uit het toestemmingsbesluit zelf moet blijken dat de gevolgen van het project voor de betrokken Natura 2000‑gebieden zijn beoordeeld. Nu in dit geval uit de milieuvergunning niet blijkt dat de relevante Natura 2000‑gebieden en hun instandhoudingsdoelstellingen zijn beoordeeld, kan niet worden aangenomen dat artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Hrl in acht is genomen. Reeds daarom is geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb.

Conclusie en gevolgen

10.1
Het beroep is gegrond. Dat betekent dat MOB gelijk krijgt en dat de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit kunnen niet in stand blijven. Dat heeft tot gevolg dat GS opnieuw op de aanvraag van [derde belanghebbende] moet beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
10.2
Omdat het beroep gegrond is, moet GS aan MOB een proceskostenvergoeding betalen. De proceskosten van MOB bestaan alleen uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding daarvoor stelt de rechtbank op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.335 (1 punt voor het indienen van het beroep, 0,5 punt voor de reactie op de brief van de rechtbank van 20 maart 2025 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt: 934; wegingsfactor 1).
Aan MOB is in deze zaak geen griffierecht in rekening gebracht. Dat hoeft GS daarom niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 24 april 2024;
  • veroordeelt GS in de proceskosten van MOB tot een bedrag van € 2.335.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzitter, en mr. A.L.M. Steinebach-de Wit en mr. B.A.J. Haagen, leden, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: juridisch kader

Habitatrichtlijn
Artikel 6
(…)
2. De Lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.
3. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.
4. Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de Lidstaat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De Lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen.
(…)
Wet natuurbescherming
Artikel 2.7
(…)
2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
3. Gedeputeerde staten verlenen een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan artikel 2.8.
(…)
Artikel 9.4
1. Vergunningen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 gelden als vergunningen als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid.
(…)
8. Artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan, voor 1 februari 2009, op grond van een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 en met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn, een besluit is genomen waarbij dat project of die handeling is toegestaan, dan wel een aanvraag voor het nemen van dat besluit is gedaan en dat besluit na die datum onherroepelijk is geworden.
(…)

Voetnoten

1.De uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4909 en ECLI:NL:RVS:2024:4923.
2.Arrest van het Hof van 14 januari 2010, C-226/08, ECLI:EU:C:2010:10.
3.Arrest van het Hof van 10 november 2022, C-278/21, ECLI:EU:C:2022:864.
4.Zie bijvoorbeeld de rechtsoverwegingen (r.o.) 1.4, 1.5 en 16 tot en met 17.5 van de uitspraak met nummer ECLI:NL:RVS:2024:4923.
5.Zie ook de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11375, r.o. 3.1 tot en met 3.10.
6.Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
7.Kamerstukken II, 2011-2012, 33 348, nr. 3, p. 290.
8.Rb. Overijssel 11 mei 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:1277, r.o. 10, en Rb. Overijssel 22 maart 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:1533, r.o. 4.1.
10.ECLI:NL:RBOBR:2025:1601, met name r.o. 5.8 en 5.8.1.
11.Zie bijvoorbeeld r.o. 12 van de 18 december-uitspraak met nummer ECLI:NL:RVS:2024:4923.
12.Zie de uitspraken van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1147, 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2076 en 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2259.