ECLI:NL:RBOVE:2026:4103

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
ZWO 25/3369
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 AOWArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Overijssel vernietigt aanpassing AOW-pensioen wegens duurzaam gescheiden leven na huwelijk

Eiser is in 2025 getrouwd met zijn partner, maar zij wonen niet samen en hebben huwelijkse voorwaarden opgesteld waarin zij financieel onafhankelijk blijven. De SVB paste het AOW-pensioen van eiser aan van alleenstaandenpensioen naar gehuwdenpensioen, omdat zij niet als duurzaam gescheiden levend werden aangemerkt.

De rechtbank toetste of eiser en zijn partner duurzaam gescheiden leven volgens artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW en de beleidsregel van de SVB. De rechtbank concludeerde dat zij ondubbelzinnig duurzaam gescheiden leven, omdat zij geen gezamenlijke huishouding voeren, geen financiële verstrengeling hebben en de zorgverlening beperkt is tot emotionele steun op afstand.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het besluit van 4 juni 2025. De SVB moet aan eiser vanaf juni 2025 een alleenstaandenpensioen toekennen. Tevens moet de SVB het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden. De uitspraak sluit aan bij de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep en het geïndividualiseerde systeem van AOW-uitkeringen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van de SVB en bepaalt dat eiser vanaf juni 2025 recht heeft op een alleenstaandenpensioen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3369

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser (hierna: [eiser] )

(gemachtigde: mr. D.N. Tanger),
en
de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder (hierna: de SVB)
(gemachtigde: mr. J.G. Starreveld).

Samenvatting

1. In deze uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de SVB het alleenstaandenpensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) van [eiser] vanaf juni 2025 ten onrechte heeft aangepast naar een gehuwdenpensioen. [eiser] is het niet eens met deze wijziging van zijn AOW. Aan de hand van de beroepsgronden van [eiser] komt de rechtbank tot dit oordeel. [eiser] krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met het besluit van 4 juni 2025 heeft de SVB het AOW-pensioen van [eiser] vanaf juni 2025 aangepast naar een gehuwdenpensioen. Met het bestreden besluit van
13 oktober 2025 op het bezwaar van [eiser] is de SVB bij dat besluit gebleven.
2.2.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van de SVB.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3.1.
[eiser] is geboren op [geboortedatum] 1941. Met een besluit van 19 augustus 2005 heeft de SVB aan [eiser] vanaf februari 2006 een AOW-pensioen voor een alleenstaande toegekend.
3.2.
Op [datum 1] 2025 is [eiser] getrouwd met [partner] (hierna: [partner] ). Daarop heeft de besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Standpunten van partijen
Standpunt SVB
4. De SVB heeft het AOW-pensioen van [eiser] vanaf juni 2025 aangepast van een alleenstaandenpensioen naar een gehuwdenpensioen, omdat [eiser] op
[datum 1] 2025 is getrouwd met [partner] en zij niet duurzaam gescheiden van elkaar leven.
Standpunt [eiser]
5. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij vanaf juni 2025 nog steeds recht heeft op een alleenstaandenpensioen. [eiser] wijst erop dat geen sprake is van samenleving en dat het huwelijk niet heeft geleid tot verhoging van zijn draagkracht. [eiser] stelt dat hij en [partner] duurzaam gescheiden leven. [eiser] vindt de feitelijke situatie van hem en [partner] vergelijkbaar met die van partners waarvan de ene partner als gevolg van de gezondheidssituatie duurzaam in een zorgcentrum woont en de andere partner in de gezamenlijke woning blijft wonen. Die partners kunnen wel in aanmerking komen voor een alleenstaandenpensioen.
Overwegingen van de rechtbank
Toetsingskader
6.1.
Artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen als ongehuwd mede wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
6.2.
De beleidsregel Huwelijk en duurzaam gescheiden leven van de SVB (SB1002) is hier ook van belang.
Het geschil
6.3.
Niet in geschil is dat [eiser] en [partner] op [datum 1] 2025 zijn getrouwd. Zij wonen niet op hetzelfde adres. Hierdoor is artikel 1, derde lid, aanhef en onder b van de AOW op [eiser] van toepassing geworden. Beoordeeld moet dan worden of [eiser] vanaf [datum 1] 2025 duurzaam gescheiden leeft van [partner] .
Duurzaam gescheiden leven
6.4.
Voor gevallen waarin geen sprake is van een ongewilde verbreking van de huwelijkse samenleving legt de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [1] het begrip duurzaam gescheiden leven als volgt uit. Gehuwde mensen leven pas duurzaam gescheiden als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
a. ten minste één van hen wil de huwelijkse samenleving verbreken;
b. ieder van hen leidt afzonderlijk een eigen leven alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd;
c. ten minste één van hen bedoelt deze situatie als blijvend.
Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet blijken uit de feitelijke omstandigheden. Daarvoor is niet voldoende dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning. De huwelijkse samenleving kan immers bestaan zonder dat de echtgenoten samenwonen. Voor de beoordeling of mensen duurzaam gescheiden leven, is verder niet van belang om welke redenen zij de huwelijkse samenleving niet (of nog niet, niet meer of niet opnieuw) hebben verbroken.
6.5.
Verder kan in het algemeen worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk betrokkenen de intentie hebben om een vorm van echtelijke samenleving aan te gaan. Dat kan door het voeren van een gezamenlijke huishouding of op een andere manier. Er kan niet helemaal worden uitgesloten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken. Dat moet dan wel ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijken. [2]
6.6.
De rechtbank is van oordeel dat in de situatie van [eiser] en [partner] ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt dat vanaf de huwelijksdatum sprake is van duurzaam gescheiden leven. De rechtbank licht dat als volgt toe.
6.7.
[eiser] en [partner] hebben al jarenlang een affectieve relatie en hebben bij het aangaan van het huwelijk niet beoogd een echtelijke samenleving tot stand te brengen. [eiser] en [partner] zijn op hun eigen adres blijven wonen en het is niet de bedoeling dit te veranderen. [eiser] woont in Nederland in [woonplaats 2] en [partner] is woonachtig in de Verenigde Staten. Zij hebben voorafgaand aan het huwelijk op [datum 2] 2025 huwelijkse voorwaarden opgesteld. Deze zijn bij het beroepschrift gevoegd. Volgens de huwelijkse voorwaarden blijven [eiser] en [partner] volledig financieel onafhankelijk van elkaar en ontstaan er voor hen door het huwelijk geen nieuwe rechten. Er is dus geen sprake van enige financiële verstrengeling.
Weliswaar heeft de SVB zich op het standpunt gesteld dat [eiser] en [partner] elkaar een bepaalde mate van zorg verlenen, doordat het huwelijk ervoor zorgt dat de langstlevende partner erfgenaam is onder de meest gunstige fiscale en erfrechtelijke omstandigheden, maar uit een uitspraak van de CRvB [3] kan worden afgeleid dat het aangaan van een huwelijk met het oog op de nalatenschap er niet aan in de weg staat om duurzaam gescheiden leven aan te nemen. De rechtbank ziet hierin geen financiële verstrengeling en evenmin een vorm van zorgverlening. De rechtbank volgt het standpunt van de SVB hierin niet.
6.8.
Verder vindt de rechtbank relevant dat [eiser] en [partner] alleen regelmatig en veel contact hebben via telefoon en facetime. Ze bezoeken elkaar slechts ongeveer één keer per twee jaar. Het enkele feit dat bij [eiser] en [partner] sprake is van een langdurige affectieve relatie is onvoldoende om aan te nemen dat van een echtelijke samenleving sprake is. Ook de omstandigheid dat [eiser] en [partner] zich als stel zeggen te presenteren vindt de rechtbank niet zwaarwegend genoeg, nu [eiser] en [partner] nauwelijks gezamenlijke activiteiten ondernemen en elkaar in de praktijk zo weinig bezoeken dat er weinig gelegenheden zijn waar zij zich naar buiten toe als stel kunnen presenteren. Evenmin blijkt dat zij gezamenlijk op vakantie gaan. Gelet op de aard en de frequentie van hun contacten vindt de rechtbank dat de situatie van [eiser] en [partner] nauwelijks iets wegheeft van een echtelijke samenleving.
6.9.
Daarnaast wijst de rechtbank erop dat, zoals [eiser] tijdens de zitting heeft toegelicht, de zorg die [eiser] en [partner] aan elkaar verlenen beperkt is tot emotionele steun via de telefoon en beeldverbindingen. Fysieke zorg voor elkaar vindt door de afstand tussen de woonplaatsen van beide partners niet of heel zelden plaats. Zoals hiervoor onder 6.7. al overwogen, ziet de rechtbank ook het feit dat het huwelijk ervoor zorgt dat de langstlevende partner erfgenaam is onder de meest gunstige fiscale en erfrechtelijke omstandigheden, niet als een vorm van zorgverlening. Dit volgt ook uit de eerder genoemde uitspraak van de CRvB [4] waarin de erfrechtelijke effecten van het huwelijk c.q. geregistreerd partnerschap er niet aan in de weg stonden om duurzaam gescheiden leven aan te nemen.
6.10.
Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat de SVB [eiser] en [partner] na het sluiten van hun huwelijk ten onrechte niet als duurzaam gescheiden levend heeft aangemerkt en de AOW van [eiser] vanaf juni 2025 ten onrechte heeft aangepast naar een gehuwdenpensioen. De rechtbank vindt deze uitkomst in lijn met de rechtspraak van de CRvB en ook het beste aansluiten bij het geïndividualiseerde systeem van pensioen-toekenning in de AOW, waarbij de hoogte van de uitkering afhankelijk is gesteld van de veronderstelde situatie van het huishouden en de kostenbesparing die voortvloeit uit een gezamenlijke huishouding. De rechtbank gaat er, op grond van de feiten en omstandigheden zoals die in dit dossier naar voren zijn gekomen, vanuit dat [eiser] en [partner] nooit, niet voor en ook niet na het sluiten van het huwelijk, een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat het, gelet op de akte van huwelijkse voorwaarden, ook niet hun bedoeling is om daarin verandering te brengen.

Conclusie en gevolgen

7.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. Dit betekent dat [eiser] gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing, herroept het besluit van 4 juni 2025 en bepaalt dat de SVB aan [eiser] vanaf juni 2025 een alleenstaandenpensioen moet toekennen.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet de SVB het griffierecht aan [eiser] vergoeden en krijgt [eiser] ook een vergoeding van zijn proceskosten.
De SVB moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding is conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tijdens de bezwaarprocedure heeft [eiser] niet om vergoeding van de proceskosten verzocht. De vergoeding waar [eiser] recht op heeft bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van [eiser] een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 13 oktober 2025;
- herroept het besluit van 4 juni 2025;
- bepaalt dat de SVB aan [eiser] vanaf juni 2025 een alleenstaandenpensioen moet toekennen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat de SVB het griffierecht van € 53,- aan [eiser] moet vergoeden;
- veroordeelt de SVB tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan [eiser] .
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie CRvB 14 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:821, r.o. 4.2.
2.Zie onder meer CRvB 30 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2154 en CRvB 22 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2775.
3.Zie CRvB 14 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6807.
4.Zie CRvB 14 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6807