ECLI:NL:RBOVE:2026:4394

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
ak_26_1204
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55d AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bepaalt termijn voor UWV-besluit Eerstejaars Ziektewetbeoordeling eigenrisicodrager

Eiseres, een werkgever en eigenrisicodrager, stelde beroep in tegen het UWV omdat het niet tijdig een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) had verricht voor een voormalig werknemer die ziek was gemeld en na afloop van het dienstverband ziekengeld ontving.

De rechtbank bevestigde de ontvankelijkheid van het beroep omdat het UWV niet binnen de wettelijke termijn had beslist, ondanks ingebrekestelling. Tijdens de zitting lichtte het UWV toe dat capaciteitsproblemen bij verzekeringsartsen de uitvoering van de EZWb belemmeren, maar dat er een proef loopt waarbij 3.400 beoordelingen worden uitgevoerd voor eigenrisicodragers.

De rechtbank erkende het belang van eiseres bij een tijdige beoordeling, mede vanwege financiële risico's na afloop van de wachttijd van 104 weken en de mogelijke toerekening van WIA-uitkeringen. Daarom werd afgeweken van de gebruikelijke termijn van twee weken en een termijn van drie maanden gesteld waarbinnen het UWV alsnog moet beslissen.

Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt. Het UWV werd ook veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige maar tijdige besluitvorming door het UWV, zeker in het kader van eigenrisicodragers en de financiële gevolgen van late beoordelingen.

Uitkomst: Het UWV moet binnen drie maanden alsnog een besluit nemen over de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling en een dwangsom betalen bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1204

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Takko Nederland, uit Oldenzaal, eiseres,

gemachtigde: mr. C.A. van der Steen,
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)

gemachtigde: mr. R.M.C. Bastings-Vangangelt.

Samenvatting

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat het UWV geen Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) heeft verricht ten behoeve van (ex-) werknemer [naam] (hierna werknemer).
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben via een digitale verbinding deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
1.3.
In deze uitspraak wordt overwogen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het UWV een nadere beslistermijn van drie maanden wordt gegeven om alsnog te beslissen.

Beoordeling door de rechtbank

De wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen
2.1.
Als een bestuursorgaan niet tijdig beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen [1] .
De feiten
2.2.
Eiseres is de (voormalig) werkgeefster van werknemer. Werknemer heeft zich tijdens het dienstverband (laatstelijk) op 19 november 2024 ziekgemeld. Ook over de periode 22 oktober 2024 tot en met 28 oktober 2024 was werknemer ziek. Het dienstverband van werknemer is na 31 december 2024 beëindigd. Aansluitend is werknemer in aanmerking gebracht voor ziekengeld, dat eiseres als eigenrisicodrager betaalt.
2.3.
Met een brief van 3 september 2025 heeft eiseres het UWV verzocht de EZWb tijdig te verrichten en de beslissing daaromtrent aan eiseres toe te sturen. Op 2 januari 2026 is het UWV in gebreke gesteld wegens het overschrijden van de beslistermijn. Daarbij is het UWV verzocht om alsnog binnen twee weken een beslissing te nemen waarin wordt besloten of werknemer op de toetsdatum, te weten 22 oktober 2025, al dan niet in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen.
2.4.
Op 2 februari 2026 heeft eiseres beroep ingesteld in verband met het uitblijven van een beslissing van het UWV. Gemachtigde heeft de rechtbank verzocht een termijn te stellen van twee weken (of een door de rechtbank te bepalen termijn) waarbinnen het UWV een beslissing moet nemen.

De ontvankelijkheid van het beroep

3. Partijen zijn het erover eens dat het UWV niet binnen de geldende termijn heeft beslist. Ook heeft eiseres het UWV correct in gebreke gesteld. De rechtbank heeft het beroepschrift meer dan twee weken daarna ontvangen. Omdat het UWV niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling een besluit heeft genomen, is het beroep ontvankelijk en gegrond.

Het oordeel van de rechtbank

4.1.
Bij een gegrond beroep niet-tijdig beslissen moet de rechtbank bepalen binnen welke termijn het UWV alsnog een besluit bekend moet maken. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
4.3.
Het UWV heeft in het verweerschrift meegedeeld de EZWb in dit geval zeer waarschijnlijk niet meer te gaan verrichten vanwege het tekort aan in te zetten verzekeringsartsen. Omdat de rechtbank hierover nader geïnformeerd wilde worden zijn partijen uitgenodigd voor een zitting op 8 juli 2026.
De toelichting van het UWV op zitting
4.4.
Het UWV heeft op de zitting toegelicht dat als gevolg van aanzienlijke en voortdurende capaciteitsproblematiek prioritering noodzakelijk is [2] . In het algemeen krijgen Wajong- en WIA-claimbeoordelingen voorrang omdat bij deze beoordeling het recht op uitkering wordt vastgesteld. De resterende capaciteit wordt zorgvuldig verdeeld. Voor beoordelingen in het kader van de Ziektewet (ZW) heeft het UWV met een aantal private partijen specifieke afspraken gemaakt [3] . In het kader van deze afspraken voert het UWV in de periode vanaf 1 mei tot en met 31 december 2026 3.400 beoordelingen uit voor werknemers van een aantal bij de proef betrokken eigenrisicodragers voor de ZW. Als de proef succesvol is kunnen ook andere werkgevers aansluiten. Buiten deze afspraken is de uitvoeringscapaciteit nog steeds zeer beperkt. De problematiek is onderwerp van bespreking binnen de organisatie en ook met het ministerie van SZW, waarbij wordt bezien of en op welke wijze de uitvoering van de EZW-beoordelingen in de toekomst structureel kan worden geborgd. Ook is onderwerp van gesprek of een EZWb alsnog met de eindewachttijdbeoordeling van de WIA moet plaatsvinden. Dit is nog niet duidelijk. Als inhoudelijk alsnog komt vast te staan dat er geen recht op ZW-uitkering bestond in het tweede jaar van ziekte, dan is het mogelijk om het UWV om schadevergoeding te vragen.
De toelichting van eiseres
4.5.
Eiseres is eigenrisicodrager en heeft groot belang bij een tijdige uitvoering van de EZWb. Het gaat er eiseres niet zozeer om dat zij zonder deze beoordeling het ziekengeld moet betalen tot aan de einde wachttijd van 104 weken. Het is eiseres bekend dat het UWV een schadevergoedingsregeling kent, als bij de WIA-beoordeling alsnog mocht komen vast te staan dat in het tweede ziektejaar geen recht heeft bestaan op ziekengeld. Eiseres loopt echter nog steeds een groot financieel risico als eenmaal de wachttijd van 104 weken is doorlopen, ook al wordt de WIA afgewezen bij de einde wachttijdbeoordeling. Als in de vijf jaren na die beoordeling alsnog sprake is van een toename van arbeidsongeschiktheid, wordt een toegekende WIA immers alsnog tien jaar aan eiseres toegerekend. De bestaande compensatieregeling biedt hier geen oplossing voor. Het is daarom van groot belang dat de beoordeling plaatsvindt voordat de termijn van 104 weken ziekte wordt bereikt. Het doel van de EZWb is ook om instroom van werknemers in de WIA te beperken. Als het UWV in staat is om in het kader van een proef afspraken te maken om 3.400 beoordelingen te verrichten, moet het volgens eiseres ook mogelijk zijn de voormalig werknemer van eiseres te beoordelen. Gemachtigde van eiseres heeft er op de zitting op gewezen dat het UWV in juni 2026 een intentieverklaring [4] heeft ondertekend met elf partijen, met het oog op het versterken van samenwerking en het zetten van vroegtijdige en praktische stappen bij verzuimbegeleiding en re-integratie. Deze afspraken onderstrepen volgens gemachtigde het belang van een tijdige EZWb, die immers ook met het oog op voorkomen van instroom in de WIA in het leven is geroepen. In het licht van al deze omstandigheden moet een termijn van twee weken volgens eiseres voldoende zijn.

De beslistermijn

5.1.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft meermalen bepaald dat het structurele tekort aan verzekeringsartsen maakt dat sprake is van een bijzonder geval, wat reden geeft af te wijken van het uitgangspunt van een nadere beslistermijn van twee weken. Overwogen is dat de termijn die aan het UWV gegeven wordt in de eerste plaats recht moet doen aan de reële mogelijkheden om op het verzoek om herbeoordeling te beslissen. Zorgvuldige besluitvorming vereist immers dat het UWV de tijd krijgt om de noodzakelijke medische beoordeling te verrichten. Capaciteitsproblemen bij het UWV kunnen echter niet onbeperkt op de aanvrager van het besluit worden afgewenteld. De rechtbank heeft het gerechtvaardigd geacht een onderscheid te maken tussen beroepen die zijn ingediend door werknemers en beroepen die zijn ingediend door werkgevers. Bij werknemers gaat het over hun recht op uitkering en daarmee over hun inkomenszekerheid, terwijl het bij werkgevers om een lastenverlaging gaat. De rechtbank heeft bepaald dat het UWV bij een beroep dat is ingediend door werknemers onveranderd drie maanden de tijd krijgt vanaf de datum van de uitspraak, en bij een werkgeversberoep vier maanden. Als er bijzondere omstandigheden zijn kan er aanleiding zijn van die termijnen af te wijken [5] .
5.2.
De EZWb is een ambtshalve beoordeling. Dat wil zeggen dat hiervoor geen aanvraag nodig is maar het UWV deze beoordeling uit eigen beweging moet verrichten. De rechtbank neemt in aanmerking dat eiseres voldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij er als eigenrisicodrager groot belang bij heeft dat het UWV deze beoordeling ook daadwerkelijk en voor het einde van de periode van 104 weken ziekte verricht. Het UWV heeft erkend dat de bestaande schadevergoedingsregeling niet voorziet in de door eiseres geschetste situatie waarin sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na een afwijzing van een WIA-aanvraag. In die situatie wordt een eventuele WIA-uitkering alsnog aan de werkgever toegerekend. Ook vindt de rechtbank van belang dat niet duidelijk is geworden of het UWV op later moment alsnog met terugwerkende kracht een EZWb kan verrichten die deze toerekening zou kunnen voorkomen. Tot slot weegt de rechtbank mee dat eiseres er terecht op heeft gewezen dat er kennelijk capaciteit is om in het kader van een proef 3.400 beoordelingen uit te voeren voor werknemers van werkgevers die net als eiseres eigenrisicodragers voor de ZW zijn. Eiseres is er op dit moment niet bij gebaat dat deze proef van het UWV in de toekomst mogelijk leidt tot een nieuwe efficiënte werkwijze waarvan eiseres op termijn kan profiteren. Ook eiseres heeft een actueel belang bij een beoordeling die plaatsvindt voor het einde van de wachttijd. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het aangewezen dat het UWV een beslissing neemt voordat de wachttijd van 104 weken is verstreken.
5.3.
De rechtbank concludeert dat er bijzondere omstandigheden zijn om in dit werkgeversberoep af te wijken van de lijn van deze rechtbank. Werknemer van eiseres bereikt de wachttijd eind oktober 2026. De exacte datum kan de rechtbank uit het dossier niet opmaken. De rechtbank bepaalt dat het UWV binnen drie maanden na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit moet bekendmaken. Deze termijn doet recht aan het belang van eiseres om voor het einde van de wachttijd een besluit te ontvangen, en geeft het UWV nog steeds een reële mogelijkheid om zorgvuldig te beslissen.

De rechterlijke dwangsom

6. In overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken bepaalt de rechtbank dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt een maximum van
€ 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

7.1.
Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en het UWV een termijn krijgt van drie maanden om alsnog een besluit te nemen en de onder 6 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres vergoeden. Daarbij krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet die vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Zaken over het niet tijdig nemen van een besluit zijn volgens vaste rechtspraak van licht gewicht [6] , zodat een wegingsfactor van 0,5 moet worden toegepast.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het UWV op binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
  • bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. Ernens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
Rechter
De rechter is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb
2.Zie de kamerbrief 19 december 2025, TK 2025–2026, 26 448, nr. 862
3.Tijdelijke werkwijze Eerstejaars Ziektewetbeoordelingen eigenrisicodragers voor Ziektewet
4.Intentieverklaring ‘Samen werken aan succesvolle verzuimbegeleiding en reintegratie’ van 29 juni 2026.
5.Zie de uitspraken van 8 oktober 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:5276 en 19 januari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:198.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 ECLI:NL:RVS:2025:1301