ECLI:NL:RBOVE:2026:550

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
ak_24_3895
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 6:19 AwbArt. 7:11 AwbArt. 7:12 AwbArt. 3:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging herroeping tijdelijke omgevingsvergunning en buiten behandeling stelling aanvraag

De zaak betreft het beroep van eiser tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zwolle om een eerder verleende tijdelijke omgevingsvergunning te herroepen en de aanvraag buiten behandeling te stellen. Na een eerdere tussenuitspraak heeft het college een nieuw besluit genomen waarin het eerste bestreden besluit werd ingetrokken en de aanvraag buiten behandeling werd gesteld.

De rechtbank oordeelt dat het college niet bevoegd is om een aanvraag die reeds in behandeling is genomen alsnog buiten behandeling te stellen. Tevens is niet gebleken dat er sprake is van relevante wijzigingen in de aanvraag die een nieuwe beoordeling rechtvaardigen. Het college heeft het gebrek in het eerste bestreden besluit niet hersteld, maar in plaats daarvan een geheel nieuw besluit genomen, wat niet is toegestaan zonder een nieuwe inhoudelijke beoordeling.

De rechtbank vernietigt daarom zowel het eerste als het tweede bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 4:5, 7:11 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het college wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiser en derde belanghebbende, met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak en de eerdere tussenuitspraak. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan eiser vergoed en wordt het college veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de herroeping van de vergunning en de buiten behandeling stelling van de aanvraag en draagt het college op een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3895
uitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank Overijssel in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats 1], eiser,

(gemachtigde: mr. S. Maakal),
en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Als derde-partij neemt aan het geding deel [derde belanghebbende] te [woonplaats 2].

Procesverloop

1.1.
In het besluit van 18 december 2023 (besluit in eerste aanleg) heeft het college van
burgemeester en wethouders van Zwolle (hierna: het college) een omgevingsvergunning verleend aan eiser [eiser] (hierna: [eiser]) voor het tijdelijk, voor de duur van tien jaar, afwijken van het bestemmingsplan, het plaatsen van een foliekas en de aanplant van fruitbomen op het perceel [adres].
1.2.
In het besluit van 23 oktober 2024 heeft het college de bezwaren van derde-partij [derde belanghebbende] (hierna: [derde belanghebbende]) en van [eiser] gegrond verklaard. Het college heeft daarbij het besluit in eerste aanleg herroepen en beslist dat de aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning opnieuw wordt behandeld, thans met toepassing van artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3⁰, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
1.3.
[eiser] heeft tegen het besluit van 23 oktober 2024 beroep ingesteld. [derde belanghebbende] heeft tegen dat besluit geen beroep ingesteld. Het besluit van 23 oktober 2024 wordt hierna aangeduid als bestreden besluit 1.
1.4.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2025. [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. S. Maakal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde]. [derde belanghebbende] is niet verschenen.
1.5.
In de tussenuitspraak van 29 januari 2025 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.6.
In de tweede tussenuitspraak van 14 maart 2025 (de verlengingsuitspraak) heeft de rechtbank de termijn die zij het college heeft gegeven om het gebrek te herstellen, verlengd tot zes weken na verzending van de verlengingsuitspraak.
1.7.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een nieuw besluit op bezwaar genomen van 22 april 2025 (bestreden besluit 2). Daarbij heeft hij het bestreden besluit 1 ingetrokken, de bezwaren van [derde belanghebbende] en eiser gegrond verklaard, het besluit van 18 december 2023 herroepen en de aanvraag om verlening van een tijdelijke omgevingsvergunning, van 18 augustus 2023, buiten behandeling gesteld.
1.8.
Een tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2025. [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. S. Maakal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde], [naam 1] en [naam 2]. [derde belanghebbende] is niet verschenen.

Overwegingen

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en van 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat onvoldoende is gemotiveerd dat sprake is van onomkeerbare gevolgen. Het college is in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen.
4. De rechtbank stelt vast dat het college het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in het bestreden besluit 1 niet heeft hersteld, maar in plaats daarvan ervoor heeft gekozen om dat besluit in te trekken en om het besluit in eerste aanleg, van 18 december 2023, te herroepen. De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag hoe moet worden omgegaan met een dergelijke situatie waarin het college geen gebruik maakt van de geboden gelegenheid om een geconstateerd gebrek te herstellen, maar in plaats daarvan een geheel ander besluit neemt. De Awb bevat geen regeling voor een dergelijke situatie. De rechtbank is van oordeel dat aangezien het het college vrijstaat om in elke stand van de procedure een nieuw besluit te nemen, er om die reden in het kader van deze procedure niet aan kan worden voorbijgegaan dat het college een ander/nieuw besluit op bezwaar heeft genomen. Op grond van het bepaalde in artikel 6:19 van Pro de Awb heeft het beroep van [eiser] daarom mede betrekking op het bestreden besluit 2.
5. De rechtbank stelt vast dat na de tussenuitspraak overleg heeft plaatsgevonden tussen [eiser] en het college. Daarbij hebben partijen de mogelijkheid besproken van een wijziging van de aanvraag. In het kader van dat overleg heeft [eiser] een tweetal aanvullende punten genoemd en vervolgens ook een enkel aanvullende stuk overgelegd. Het gaat daarbij om een opslagplaats voor een boot en de plaatsing van een zonnepaneel.
6. Bij het bestreden besluit 2 heeft het college het bestreden besluit 1 ingetrokken en het besluit van 18 december 2023 herroepen. Tevens heeft het college bij het bestreden besluit 2 de op 18 augustus 2023 door [eiser] ingediende aanvraag om verlening van een tijdelijke omgevingsvergunning buiten behandeling gesteld.
Overgangsrecht
7.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).
7.2.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 18 augustus 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
8. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het college nog de bevoegdheid heeft om een aanvraag waarop hij eerder inwilligend heeft beslist vervolgens alsnog buiten behandeling te stellen.
8.1.
De rechtbank zal eerst onderzoeken of de aanvraag van 18 augustus 2023 na het bestreden besluit 1 is gewijzigd en zo ja of die wijziging is aan te merken als een relevante wijziging.
De rechtbank stelt in dat verband vast dat voor haar uit het dossier niet eenduidig blijkt of eiser ook daadwerkelijk de aanvraag heeft beoogd te wijzigen. Ook ter zitting is die duidelijkheid niet geboden. Ook is voor de rechtbank onduidelijk gebleven op basis waarvan het college met stelligheid heeft kunnen menen dat er wel sprake is geweest van een wijziging van de ingediende vergunningaanvraag.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat op basis van de aanvraag van 18 augustus 2023 het college op 18 december 2023 een tijdelijke omgevingsvergunning heeft verleend voor het gebruik van het perceel als tuin. Daartoe heeft het college in dat besluit het volgende overwogen: “Het gebruik kan als tuin worden gezien als een beperkt deel van het perceel. De kas met fruitbomen en de cirkel met wilgenstruiken vindt plaats op het eerste gedeelte van het perceel. Hierbij blijven zichtlijnen naar het water behouden doordat er geen bebouwing plaatsvindt op het open gedeelte van het perceel.
Verder is de foliekas een relatief klein object wat in deze vorm niet storend is. Dit heeft onder andere te maken met de omvang maar ook met het feit dat er rondom fruitbomen worden aangeplant wat enig zicht naar de kas wegneemt.
(…)
Vanuit de omgeving gaan de drie bestaande objecten (kas, fruitbomen en cirkel met rondom wilgenstruiken) op in het landschap. De kas staat gezien vanuit de Nieuwe Vecht achter een bestaande bosschage en rietkraag en wordt zo grotendeels aan het zicht onttrokken. Hiermee vormt de kas geen storend object in zichtlijnen richting de weilanden.
De cirkel met wilgenstruiken is vanwege de verschijningsvorm, laag en met streekeigen soorten geen storend object in het landschap. Een fruitbomengaard wordt vaker in het landelijk gebied toegepast en vormt een landschappelijk element dat als verschijningsvorm bij (voormalige) boerderijen past.
Mits geen andere tuin gerelateerde elementen toegevoegd worden aan het perceel kan ingestemd worden met het tijdelijke afwijken van het bestemmingsplan voor de periode van 10 jaar.”
Aan de vergunning werden door het college voorschriften verbonden waaronder voorschrift 4 “opslag boten: Op het terrein is het niet toegestaan boten van derden op te slaan en/of boten op te slaan die niet vaarwaardig zijn.”
8.3.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat het college in zijn besluit van 24 februari 2023 (de last onder dwangsom) als een van de geconstateerde overtredingen heeft benoemd: “5. Een zonnepaneel. Dit zonnepaneel was niet aangesloten en was opgeslagen op de gronden.”
Vervolgens stelt de rechtbank vast dat het college in zijn brief van 4 januari 2024 heeft geschreven: “Het nog aanwezige zonnepaneel is ten dienste van de bevloeiing in de foliekas en zal door u in de nabijheid of mogelijk zelfs op de kas worden geplaatst om de relatie daarmee duidelijk te maken. Daarmee is geconstateerd dat er momenteel wordt voldaan aan de opgelegde last.”
8.4.
De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat het college bij het besluit van 18 december 2023 vergunning heeft verleend voor het gebruik van een deel van het perceel met de agrarische bestemming als tuin. Ter zitting heeft het college erkend dat het toen voor hem duidelijk was enerzijds om welk deel van het betreffende perceel ging en anderzijds welk gebruik als tuin werd toegestaan. Hij heeft daarom geen aanleiding gezien om nadere informatie te vragen over het betreffende deel en het gebruik. Voorts is met het besluit van 18 december 2023 een tijdelijke vergunning verleend voor de foliekas, inclusief een daaraan gerelateerd zonnepaneel, de aanwezigheid van fruitbomen en een cirkel met rondom wilgenstruiken en voorts de opslag van vaarwaardige boten die toebehoren aan eiser zelf. De rechtbank stelt daarbij vast dat het aantal boten en de exacte locaties daarvan onbepaald is gelaten.
8.5.
De rechtbank is vervolgens gebleken dat van de zijde van het college in een e-mail van 6 februari 2025 aan eiser het volgende is voorgelegd:
“Onder andere tijdens de beroepszitting is namens u begonnen over een wijziging van onderhavige aanvraag. Zou u uiterlijk 14 februari 2025 kunnen aangeven of u een wijziging wilt indienen? U kunt dat doen door:
  • De toelichting van de heer S. Maakal van 18 augustus 2023 te verwijderen als bijlage bij de aanvraag;
  • Te bevestigen dat de aanvraag voor de activiteit ‘strijdig gebruik’ alleen ziet op de volgende objecten:
 kas
 haag
 fruitbomen
 cirkel met rondom wilgenstruiken
zoals weergegeven op de situatietekening van 19 oktober 2023 (bijgevoegd).
Het staat u vrij om de situering van een opgeslagen boot ‘Bikkel’ en een zonnepaneel daarbij in te tekenen. Indien u het zonnepaneel opneemt in de situatietekening, dan dient u tevens een tekening met de maatvoering van het zonnepaneel aan te leveren.
(…)
Bij indiening van deze wijziging bestaat er waarschijnlijk bereidheid om medewerking te verlenen aan de aanvraag.”
8.6.
De rechtbank is van oordeel dat voor zover het college in deze e-mail heeft beoogd aan te geven om welke wijzigingen van de aanvraag het volgens hem zou gaan, de rechtbank geen andere zaken benoemd heeft dan die al zijn vergund met het besluit van 18 december 2023. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat het planten van een haag past binnen het gebruik als tuin van de betreffende gronden. De rechtbank vermag dan ook niet in te zien dat voor die onderdelen er sprake zou kunnen zijn van een wijziging van de aanvraag op basis waarvan de tijdelijke vergunning van 18 december 2023 is verleend.
8.7.
In de discussie die vervolgens is ontstaan heeft eiser het college gevraagd wat het college verstaat onder “gebruik als tuin”. Hij heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat het hem zou moeten zijn toegestaan hetzelfde met en op die gronden te doen als het gebruik dat is toegestaan in artikel 23 van Pro het geldende bestemmingsplan (bestemming Tuin). In een e-mail van 11 februari 2025 van eiser is dit standpunt genuanceerd met de opmerking: “Wij zijn nogmaals helemaal niet van plan om het Landje volledig in te richten en/of in gebruik te (laten) nemen als Tuin, door dit bijvoorbeeld helemaal te voorzien van een verharding en/of (volledig) in te planten met bomen en planten. Maar het moet ons wel gewoon zijn toegestaan om ons überhaupt op deze gronden te bevinden en daar verder ook een paar tuinstoelen neer te zetten als we daar zin in hebben om bijvoorbeeld op een mooie zomeravond een barbecue aan te steken. Zonder dat dit direct weer tot handhavingsverzoeken leidt. En op dezelfde manier vinden we het ook redelijk dat er geen bezwaar (meer) wordt gemaakt van het planten van bijvoorbeeld olifantengras. Of het inzaaien van een moestuin.”
Uit deze e-mail blijkt voor de rechtbank dat eiser duidelijkheid wenste te verkrijgen over wat volgens het college toelaatbaar werd geacht. De rechtbank leest de opmerkingen die eiser in dat verband jegens verweerder heeft gemaakt aldus dat hij met de zekerheid van de hem verleende vergunning van 18 december 2023 pas medewerking wilde verlenen aan een mogelijke wijziging van de op basis van die vergunning verkregen rechten als hij zekerheid verkreeg van het college over wat op basis van een nieuw te verlenen vergunning toegestaan zou worden.
De rechtbank is niet gebleken dat het college die door eiser gezochte duidelijkheid en zekerheid heeft verstrekt. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat nu aan de voorwaarde die eiser aan het college stelde voor het ingediend achten van een gewijzigde aanvraag door het college niet is voldaan, zodat er geen sprake is geweest van een gewijzigde vergunningaanvraag.
Voor zover er wel sprake zou zijn geweest van een wijziging van de vergunningsaanvraag omdat eiser op onderdelen wel voldaan heeft aan verzoeken in dat verband van het college, bijvoorbeeld door het aanleveren van een tekening met maatvoering van het in geding zijnde perceel, komt het de rechtbank voor dat het verzoek om een dergelijke tekening een overbodig verzoek betrof aangezien het college al bekend was met die maatvoering gelet op de op schaal gemaakte tekening die het college had opgenomen in zijn in de bezwaarprocedure inzake de last onder dwangsom ingediende verweerschrift van 6 september 2024 en de tekening die het college heeft opgenomen in zijn verweerschrift van 6 september 2024 in de bezwaarprocedure in onderhavige zaak (betrof de tekening die behoorde bij de aanvraag omgevingsvergunning van 18 augustus 2023), alsmede de maatvoering van diverse objecten en beplantingen (waarvan de locaties en omvang ook reeds bij het college bekend was), dan ziet de rechtbank dat er eerder sprake is van een be- dan wel inperking van de aanvraag dan van een uitbreiding van de aanvraag.
9. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of de besluitvorming van het college in strijd is met het verbod van reformatio in peius. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake. Daartoe wordt het volgende overwogen.
De rechtbank overweegt daartoe dat de essentie van het verbod van reformatio in peius is dat het resultaat van de heroverweging van een bestreden besluit op grondslag van een daartegen gericht bezwaar alleen mag leiden tot een voor de indiener ongunstiger resultaat, als het bestuursorgaan ook zonder het bezwaar bevoegd zou zijn tot een dergelijke wijziging. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4734).
De rechtbank stelt vast dat het college de verleende tijdelijke omgevingsvergunning van 18 december 2023 heeft herroepen en vervolgens de ingediende aanvraag van 18 augustus 2023 buiten behandeling heeft gesteld.
Naar het oordeel van de rechtbank is het college daartoe niet bevoegd. Immers kan een aanvraag die reeds in behandeling is genomen later niet alsnog buiten behandeling worden gesteld.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kon het college ook niet beslissen tot herroeping van de aan eiser verleende tijdelijke omgevingsvergunning van 18 december 2023. Immers is de rechtbank primair van oordeel dat van een wijziging van de aanvraag geen sprake is geweest aangezien dat wat als wijziging door het college is aangemerkt, al vergund was met de verleende vergunning.
9.2.
Voor zover het college zijn besluit tot herroeping van het besluit van 18 december 2023 baseert op de conclusie dat eiser de aanvraag heeft gewijzigd waardoor er opnieuw op de aanvraag diende te worden beslist. Kan die conclusie het besluit tot herroeping evenmin dragen aangezien er in dat geval naar het oordeel van de rechtbank sprake is van niet-relevante wijzigingen die geen nieuwe aanvraag nodig maken. Niet-relevante wijzigingen kunnen uit de aard van de zaak niet leiden tot een herroeping van een verleende vergunning. Als de wijzigingen wel tot een herroeping zouden nopen zou er namelijk geen sprake zijn van niet-relevante wijzigingen.
De rechtbank overweegt dat uit het bepaalde in artikel 7:11, tweede lid, van de Awb volgt dat bij het nemen van een beslissing op bezwaar niet kan worden volstaan met het herroepen van het besluit in eerste aanleg. Het karakter van de volledige heroverweging brengt mee dat bij de beslissing op bezwaar een nieuw inhoudelijk besluit dient te worden genomen. Nu het college bereid was om ondergeschikte wijzigingen bij de beoordeling te betrekken, had ook ten aanzien van deze ondergeschikte wijzigingen een inhoudelijk besluit moeten worden genomen. Het college heeft, door dit niet te doen, maar in plaats daarvan ervoor te kiezen om het besluit in eerste aanleg te herroepen, gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7:11, tweede lid, van de Awb.
Overigens is de rechtbank van oordeel dat de door het college gestelde ontbrekende informatie bij het college al bekend was dan wel bij het verlenen van de vergunning van 18 december 2023 niet als voor de te nemen beslissing relevante ontbrekende informatie is aangemerkt.
De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat het college bij het bestreden besluit 2 niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat bij de beoordeling van het bezwaar van eiser het besluit van 18 december 2023 diende te worden herroepen, laat staan bevoegd was tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag.
10. Uit het voorgaande volgt tevens dat het bestreden besluit 2, in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, niet berust op een deugdelijke motivering.
11. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat ook het bestreden besluit 1 dient te worden vernietigd. Immers heeft het college zelf inmiddels geconcludeerd dat voorafgaand aan het nemen van een besluit op de aanvraag voor een tijdelijke omgevingsvergunning geen uitgebreide voorbereidingsprocedure behoeft te worden doorlopen. Het college is daarmee van mening dat het bestreden besluit 1 ten onrechte is genomen en niet kan worden gehandhaafd. De rechtbank deelt die conclusie van het college.
12. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in deze uitspraak en gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep van [eiser] voor zover gericht tegen bestreden besluit 2 gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit 2 wegens strijd met de artikelen 4:5, 7:11 en 7:12 van de Awb. De rechtbank zal vervolgens tevens het bestreden besluit 1 vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om enige rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten of verdergaand zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. Daarbij wijst de rechtbank erop dat tot op heden in bezwaar nog geen inhoudelijke belangenafweging is gemaakt waarbij ook de belangen van [derde belanghebbende] zijn meegewogen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen. Het college moet daarom in beginsel een nieuw besluit op de bezwaren van [eiser] nemen en daarbij rekening houden met wat is overwogen in deze uitspraak en in de tussenuitspraak. De rechtbank is van oordeel dat het college daarbij ook dient te betrekken dat inmiddels een voorbereidingsbesluit is genomen. De rechtbank stelt voor het nemen van een nieuw besluit op de bezwaren een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
Het voorgaande betekent dat:
- de rechtbank het bestreden besluit van 22 april 2025 geheel vernietigt;
- de in dat besluit van 22 april 2025 bepaalde herroeping van het besluit van 18 december 2023 niet in stand blijft;
- de buitenbehandelingstelling van de aanvraag van 18 augustus 2023 niet in stand blijft;
- het bestreden besluit van 23 oktober 2024 herleeft;
De rechtbank zal het besluit van 23 oktober 2024 tevens vernietigen.
Dat betekent voorts dat:
- de gegrondverklaring van de bezwaren van [eiser] en van [derde belanghebbende] bij dat besluit op bezwaar worden vernietigd;
- de herroeping van het besluit van 18 december 2023 in dat besluit van 23 oktober 2024 niet in stand blijft;
- dat het college opnieuw op de bezwaren van [eiser] en van [derde belanghebbende] zal moeten beslissen.
13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan [eiser] het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
14. Omdat het beroep gegrond is, krijgt [eiser] een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en 2 punten voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934 bij een wegingsfactor 1). Toegekend wordt in totaal € 2.802.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 2 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit 2;
- vernietigt het bestreden besluit 1;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze
uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [eiser] en van
[derde belanghebbende] met inachtneming van deze uitspraak en van de tussenuitspraak;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187, aan [eiser] te
vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van
€ 2.802.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op .
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.