Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 2]en
[eiser 3], uit [woonplaats], eisers (hierna: de maatschap),
Rechtbank Overijssel
In deze uitspraak van de Rechtbank Overijssel, gedateerd 13 januari 2026, wordt het beroep van een maatschap tegen de afwijzing van een herzieningsverzoek van eerder opgelegde boetes behandeld. De maatschap had op 16 februari 2024 verzocht om herziening van een besluit van 17 december 2020, waarin boetes waren opgelegd voor het overschrijden van gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen. De rechtbank oordeelt dat de maatschap geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die de herziening rechtvaardigen. De rechtbank concludeert dat het eerdere besluit niet onmiskenbaar onjuist is en dat de afwijzing van het herzieningsverzoek door de minister terecht is. De rechtbank behandelt de beroepsgronden van de maatschap en stelt vast dat het WUR-rapport, waar de maatschap naar verwijst, niet als nieuw feit kan worden aangemerkt, omdat het niet specifiek genoeg is voor de situatie van de maatschap. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en de maatschap geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.