ECLI:NL:RBROT:2007:BB4633
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Betrouwbaarheidstoetsing financiële dienstverlener en vergunningweigering onder Wet financieel toezicht
Verzoeker, een financiële dienstverlener, diende in januari 2006 een vergunningaanvraag in bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) onder de Wet financiële dienstverlening (Wfd). De AFM weigerde de vergunning op grond van een negatief betrouwbaarheidsoordeel, gebaseerd op een strafrechtelijke veroordeling in 1999 wegens valsheid in geschrifte, een transactie voor het niet opvolgen van een ambtelijk bevel en het niet vermelden van deze transactie op het betrouwbaarheidsformulier.
De rechtbank oordeelt dat de strafrechtelijke veroordeling destijds nog geen acht jaar onherroepelijk was en dat de AFM daarom volgens de beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing een negatief oordeel mocht geven. Echter, gelet op het tijdsverloop en het feit dat het delict geen verband hield met de werkzaamheden in de financiële sector, had de AFM op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moeten afwijken van de beleidsregel en een nadere belangenafweging moeten maken.
Verder concludeert de rechtbank dat de AFM onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feiten rond de transactie en dat het niet melden daarvan niet zonder meer aan verzoeker kan worden toegerekend. Hierdoor ontbreekt een deugdelijke motivering en is het besluit strijdig met de Awb. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit en beveelt de AFM een nieuwe beslissing te nemen, waarbij verzoeker voorlopig wordt hersteld in zijn registratie.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de vergunning wordt vernietigd met de opdracht tot een nieuwe beslissing.