ECLI:NL:RBROT:2009:BJ1047
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke beoordeling heffingen AFM voor vergunningaanvragen Wet toezicht accountantsorganisaties
Negentien accountantskantoren (eiseressen) maakten bezwaar tegen heffingen van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) voor de behandeling van hun vergunningaanvragen op grond van de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta). Achttien aanvragen werden ingetrokken, maar de heffingen bleven verschuldigd. De rechtbank behandelde de zaken gezamenlijk en hield een zitting op 15 juni 2009.
De rechtbank oordeelde procedureel dat de verweerschriften van de AFM niet buiten beschouwing mochten blijven en dat het beroep van een eiseres niet-ontvankelijk was wegens te late indiening, maar dat dit door omstandigheden toch als tijdig werd beschouwd. De rechtbank stelde dat belanghebbenden alleen belang hebben bij vernietiging van besluiten als zij schade konden aantonen, wat in de meeste gevallen niet aannemelijk was.
Inhoudelijk oordeelde de rechtbank dat de AFM terecht de heffingen oplegde volgens de Regeling toezichtkosten Wta en de Vaststellingsregeling, die kostendekkend en niet onredelijk hoog zijn. De rechtbank verwierp de stellingen dat lagere tarieven of geen heffing van toepassing waren, onder meer omdat een oordeel “voldoende, maar voor verbetering vatbaar” niet gelijkstaat aan het vereiste “voldoende” oordeel. Ook werd vastgesteld dat de AFM de hoorplicht jegens een eiseres had geschonden, waardoor het nadere besluit voor haar werd vernietigd.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de primaire besluiten niet-ontvankelijk, vernietigde twee nadere besluiten en verklaarde de overige beroepen ongegrond. De AFM werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Hoger beroep is mogelijk bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Uitkomst: De rechtbank verklaart beroepen tegen primaire besluiten niet-ontvankelijk, vernietigt nadere besluiten voor twee eiseressen wegens procedurele fouten, en verklaart overige beroepen ongegrond.