ECLI:NL:RBROT:2010:BL9767
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid heffingen AFM voor doorlopend toezicht 2008
In deze zaak hebben 1624 financiële dienstverleners beroep ingesteld tegen besluiten van de AFM waarin heffingen voor doorlopend toezicht over 2008 aan hen zijn opgelegd. De eisers stelden onder meer dat de heffingen niet rechtmatig waren vastgesteld, dat kosten van repressief toezicht ten onrechte werden doorberekend en dat de Regeling 2008 in strijd was met algemene rechtsbeginselen zoals het profijtbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de heffingen conform het Besluit bekostiging financieel toezicht en de Regeling 2008 waren vastgesteld en dat het Besluit en de Regeling niet buiten toepassing konden worden gelaten. Kosten die gemaakt zijn in procedures tegen de toezichthouder, evenals kosten voor beleidsvorming en Europese afstemming, mochten worden doorberekend. Daarnaast is het reserveren voor wanbetalingen toegestaan en vallen rentelasten onder de door te berekenen kosten.
De rechtbank verwierp de stellingen van eisers over motiveringsgebrek en onzorgvuldigheid, en concludeerde dat de stijging van de heffingen niet onredelijk of willekeurig was. Ook het beroep op het profijtbeginsel, vertrouwensbeginsel en rechtszekerheid faalde. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De beroepen tegen de door AFM opgelegde heffingen voor doorlopend toezicht 2008 worden ongegrond verklaard.