ECLI:NL:RBROT:2010:BP8595
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Werkgeversaansprakelijkheid voor asbestblootstelling en mesothelioom bij scheepswerf
De zaak betreft een geschil tussen een scheepsnieuwbouw- en reparatiewerf en de erfgename van een oud-werknemer die tijdens zijn dienstverband aan asbest is blootgesteld en later de ziekte mesothelioom heeft gekregen. De rechtbank stelt vast dat de blootstelling aan asbest tijdens het dienstverband heeft plaatsgevonden en dat dit heeft geleid tot de ziekte. De werkgever heeft onvoldoende veiligheidsmaatregelen getroffen ondanks dat zij vanaf de jaren vijftig bekend was met de gezondheidsrisico’s van asbest.
De werkgever betwistte aansprakelijkheid en stelde dat de vordering verjaard is, omdat de laatste blootstelling in 1964 was en de verjaringstermijn van dertig jaar inmiddels verstreken was. De rechtbank oordeelt echter dat toepassing van de verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in dit uitzonderlijke geval, mede vanwege de lange latentieperiode en het late aan het licht komen van de ziekte.
De rechtbank wijst de immateriële schadevergoeding toe op €50.000,- en de materiële schade op €1.295,74, vermeerderd met wettelijke rente. De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De werkgever wordt aansprakelijk gesteld voor de asbestblootstelling en veroordeeld tot schadevergoeding aan de erfgename.