ECLI:NL:RBROT:2011:BQ4969
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- P. van Zwieten
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking vergunning financiële bemiddeling wegens twijfel aan betrouwbaarheid
Verzoeker beschikte sinds 2007 over een vergunning voor het bemiddelen in hypothecair krediet en andere financiële producten. De AFM startte een onderzoek naar mogelijke hypotheekfraude waarbij verzoeker betrokken was. Op basis van strafrechtelijke antecedenten (valsheid in geschrift en oplichting) en een toezichtantecedent (niet melden van gewijzigde omstandigheden) trok de AFM de vergunning in.
Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de intrekking te schorsen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de AFM haar oordeel over de betrouwbaarheid van verzoeker op een zorgvuldige wijze had gevormd, mede op basis van eigen onderzoek en strafrechtelijke processen-verbaal. De strafrechtelijke veroordeling en de verdenking van betrokkenheid bij hypotheekfraude vormden een voldoende grond voor het negatieve betrouwbaarheidsoordeel.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het niet melden van relevante wijzigingen en het onjuist informeren van een hypotheekverstrekker ook een zwaarwegend toezichtantecedent vormden. Hoewel verzoeker stelde dat de intrekking een punitieve sanctie was, oordeelde de rechter dat het een gevolg was van het niet meer voldoen aan het vergunningvereiste van betrouwbaarheid. Gezien de ernst van de gedragingen en het belang van het vertrouwen in de financiële sector, was de intrekking gerechtvaardigd.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bestreden besluit naar verwachting in stand zal blijven en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en bevestigt de intrekking van de vergunning wegens twijfel aan de betrouwbaarheid van verzoeker.