ECLI:NL:CBB:2010:BL9360
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- M.A. van der Ham
- J.L.W. Aerts
- M. van Duuren
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke toetsing betrouwbaarheid vergunninghouder financiële onderneming
A B.V. en B verzochten om een vergunning als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht (Wft). De Autoriteit Financiële Markten (AFM) weigerde deze vergunning op grond van artikel 15 van Pro het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen (BGfo), omdat de betrouwbaarheid van B niet buiten twijfel stond vanwege een strafrechtelijke veroordeling die minder dan acht jaar geleden onherroepelijk werd.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat artikel 15 BGfo Pro een juiste wettelijke basis vormt en niet in strijd is met het EVRM of het rechtszekerheidsbeginsel. Appellanten stelden in hoger beroep dat artikel 15 BGfo Pro onverbindend is omdat het een verplichte regel bevat die geen ruimte laat voor een belangenafweging, waardoor het in strijd is met de Wft, het EVRM en het rechtszekerheidsbeginsel.
Het College oordeelde dat artikel 15 BGfo Pro door zijn dwingende karakter verder gaat dan de bevoegdheid die artikel 4:10 Wft Pro aan de toezichthouder geeft en daardoor onverbindend is. Het College vernietigde het bestreden besluit en droeg AFM op opnieuw te beslissen, waarbij alle feiten en omstandigheden betrokken moeten worden. Tevens werd AFM veroordeeld in de proceskosten van appellanten.
De voorlopige voorziening stelde de voorzieningenrechter eerder toe, waardoor A haar activiteiten beperkt mocht voortzetten tijdens het hoger beroep. Het College benadrukte dat AFM niet kan volstaan met een vaste beoordelingsmaatstaf en een nieuwe belangenafweging moet maken bij de hernieuwde besluitvorming.
Uitkomst: Het College vernietigt het besluit van AFM en draagt op tot hernieuwde beoordeling van de vergunningaanvraag met inachtneming van een belangenafweging.