Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
[A], te [B], verzoekster,
Rechtbank Rotterdam
De Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) legde verzoekster een bestuurlijke boete van €300.000,- op wegens het zonder vergunning aanbieden van krediet in strijd met artikel 2:60, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Verzoekster bood via haar websites kortlopende kredieten aan zonder rente, maar met verplichte garantiestelling waarbij kosten aan een gelieerde entiteit werden doorberekend.
Verzoekster stelde dat zij onder de uitzondering van artikel 1:20, eerste lid, sub e, Wft viel, omdat de kosten onbetekenend zouden zijn en de garantiestellingskosten niet mee mochten tellen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verdienmodel als geheel vergunningplichtig was, omdat de garantiestellingskosten substantieel waren en de persoonlijke garantiestelling een schijnconstructie vormde.
De rechtbank verwierp het beroep op het legaliteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, en vond dat AFM terecht handhaafde ondanks de lange procedure en het late standpunt over de productensplitsing. De boete werd als proportioneel beoordeeld, rekening houdend met ernst, duur, verwijtbaarheid en draagkracht.
De voorzieningenrechter wees het verzoek tot schorsing van de publicatie van de boete af, maar bepaalde dat een zin in het persbericht moest worden aangepast. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het beroep was niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de publicatie van de boete werd afgewezen, met een aanpassing van het persbericht.