De rechtbank Rotterdam behandelt een bestuursrechtelijke zaak over een bestuurlijke boete van €1.200,- opgelegd wegens overtreding van artikel 11a van de Tabakswet. De boete werd opgelegd na een controle op 9 maart 2013 in een horecalokaliteit met een oppervlakte van 40 m2, waar volgens de verbalisant werd gerookt terwijl werknemers aanwezig waren. Eiser betwistte de overtreding en stelde dat hij alleen achter de bar stond en dat er geen personeel was, ondersteund door getuigenverklaringen en een ontslagbrief van een vermeende werknemer.
De rechtbank constateert dat het proces-verbaal en de verklaringen van eiser en getuigen op belangrijke punten verschillen, met name over de aanwezigheid van een werknemer achter de bar en het gebruik van asbakken. Tevens ontbreekt in het dossier bewijs dat de persoon achter de bar daadwerkelijk de genoemde werknemer was, terwijl eiser heeft verklaard dat deze al in 2008 was ontslagen. Hierdoor is sprake van een motiveringsgebrek in het besluit.
De rechtbank geeft verweerder de mogelijkheid om het gebrek te herstellen door nader onderzoek te doen naar de identiteit van de persoon achter de bar en de aantekeningen van de verbalisant. Eiser krijgt de gelegenheid om binnen vier weken de persoonsgegevens van twee getuigen aan te leveren. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak en neemt nog geen beslissing over proceskosten.