ECLI:NL:RBROT:2015:6971
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.A. Schreuder
- C.J.F. de Jongh
- A. Douwes
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en terugvordering bijstand wegens verblijf buitenland langer dan vier weken
Eiseres ontving bijstand als alleenstaande ouder en verbleef in 2012 langer dan de toegestane vier weken in het buitenland zonder dit vooraf te melden. Verweerder trok de bijstand over de periode van 22 juli tot 9 september 2012 in en vorderde het te veel betaalde bedrag terug. Eiseres voerde aan dat het verblijf in januari 2012 moest worden toegerekend aan 2011 en dat het verblijf vanwege familieomstandigheden gerechtvaardigd was, maar deze argumenten werden verworpen.
De rechtbank stelde vast dat de wettelijke regeling per kalenderjaar geldt en dat de reden van het verblijf niet relevant is voor het recht op bijstand. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen concrete toezeggingen waren gedaan door verweerder. De intrekking en terugvordering waren gebaseerd op artikel 54 en Pro 58 van de Wwb, waarbij de terugvordering verplicht is tenzij dringende redenen aanwezig zijn, welke in deze zaak niet werden aangenomen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot intrekking en terugvordering en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen intrekking en terugvordering van bijstand wegens verblijf in het buitenland langer dan vier weken wordt ongegrond verklaard.