Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 april 2016 in de zaak tussen
[Bedrijf I] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres,
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
- de resultaten van een inspectie op dinsdag 13 december 2011 op het adres [adres] alwaar is gevestigd [Bedrijf II] Daar werden vreemdelingen als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wav aangetroffen. De aangetroffen vreemdelingen hebben allemaal afzonderlijk een verklaring afgelegd waarin zij hebben verklaard werkzaam te zijn voor eiseres;
- een schriftelijke vordering van 16 december 2011 aan eiseres om bescheiden te verstrekken met betrekking tot de Roemeense werknemers en de vervolgens verstrekte stukken;
- een administratieve controle op donderdag 22 maart 2012 op meerdere locaties van het bedrijf [Bedrijf III] en [Bedrijf I] . Experts van het Digitaal Expertise Centrum hebben toen een kopie van de digitale administratie gemaakt. Ook zijn er ter plaatse en nadien diverse werknemers van eiseres gehoord als getuigen;
- informatie van het UWV Werkbedrijf te Den Haag waaruit is gebleken dat eiseres voor de in het boeterapport genoemde vreemdelingen en de verrichte arbeid niet in het bezit was van tewerkstellingsvergunningen;
- gegevens van het Liaisonbureau over [Bedrijf IV] , gevestigd te [naam land] .
-reparatie. Zij wijst er verder op dat niet vaststaat dat alle 44 vreemdelingen in dienst zijn bij [Bedrijf IV] , dat de gegevens van het Liaisonbureau niet zien op de periode in geding, dat niet mag worden uitgegaan van de verklaringen van de gehoorde vreemdelingen vanwege hun niet correcte totstandkoming en dat van belang is dat de werkzaamheden onder leiding en toezicht van [Bedrijf IV] stonden. In dat verband heeft eiseres ter zitting gewezen op het arrest Martin Meat.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, in die zin dat de hoogte van de opgelegde boete wordt vastgesteld op € 349.500,-;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 331,- vergoedt en
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 992,-, te betalen aan eiseres.