Eiser was sinds 2002 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen en bekleedde een leidinggevende functie. Hij werd disciplinair gestraft met onvoorwaardelijk strafontslag wegens ernstig plichtsverzuim, waaronder het opzettelijk verstrekken van onjuiste informatie over het volgen van een HBO-opleiding en het ten onrechte toe-eigenen van een bedrag bestemd voor studie.
De rechtbank stelde vast dat eiser de gedragingen heeft gepleegd en dat deze ernstig plichtsverzuim vormen. Eiser voerde aan dat hem het plichtsverzuim niet kon worden toegerekend vanwege financiële problemen en verminderde geestelijke gesteldheid, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt. Medische rapportages en het dossier boden geen aanwijzingen dat hij niet in staat was zijn gedrag te overzien.
De gedragingen vonden plaats over een langere periode en betroffen onder meer het volhouden van onjuiste informatie, het overleggen van een vals diploma en het niet nakomen van afspraken over terugbetaling van voorschotten. De rechtbank oordeelde dat het strafontslag niet onevenredig is gezien de ernst van het plichtsverzuim, de vertrouwensbreuk en de voorbeeldfunctie van eiser.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.