De werknemer is sinds 1999 in dienst bij de werkgever en heeft een levensloopregeling geopend met intentie deze per 1 juli 2018 te gebruiken voor vervroegd pensioen. De werkgever stelt dat partijen hierover overeenstemming hebben bereikt, terwijl de werknemer slechts een intentie heeft uitgesproken en geen verdere stappen heeft gezet om de regeling daadwerkelijk te laten ingaan.
Na het mislukken van mediation is de zaak in kort geding behandeld. De rechtbank oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat partijen een bindende overeenkomst hebben gesloten over het gebruik van de levensloopregeling per 1 juli 2018. De werknemer heeft zich beschikbaar gehouden voor werk en heeft recht op toelating tot het werk en betaling van loon en vakantiegeld vanaf die datum.
De werkgever heeft onvoldoende onderbouwd dat de relatie dusdanig verstoord is dat terugkeer niet mogelijk is. De vordering tot loondoorbetaling wordt toegewezen tot en met november 2018, met een gematigde wettelijke verhoging van 15% en wettelijke rente. De proceskosten worden aan de werkgever opgelegd.