Eiser was in 2012 werkzaam aan boord van een Rijnvaartschip en stond op de loonlijst van een Luxemburgse vennootschap die premies afdroeg in Luxemburg. Hij verzocht de Sociale verzekeringsbank (SVB) om vaststelling dat hij uitsluitend onder Luxemburgse sociale zekerheidswetgeving viel en geen Nederlandse premies verschuldigd was.
De SVB wees het verzoek voor 2012 af en verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat zij discretionaire bevoegdheid heeft en het verzoek niet in behandeling neemt zolang fiscale procedures lopen. Tevens werd aangenomen dat eiser had moeten onderkennen dat hij premieplichtig was in Nederland.
De rechtbank oordeelt dat de SVB het verzoek had moeten doorzenden aan de bevoegde Luxemburgse autoriteiten conform EU-verordeningen en de Rijnvarendenovereenkomst. De SVB was niet bevoegd zelf te beslissen. De afwijzing wordt vernietigd en de SVB wordt opgedragen het verzoek door te zenden. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.