Eiser verzocht de Sociale Verzekeringsbank (SVB) om een regularisatieovereenkomst te sluiten voor de jaren 2007, 2009 en 2010 op grond van het Rijnvarendenverdrag en Verordening nr. 883/2004. De SVB wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank stelt vast dat tot 1 mei 2010 de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bevoegd was, maar dat de Minister de besluiten van de SVB heeft bekrachtigd en gemachtigd.
De rechtbank oordeelt dat de door Luxemburg afgegeven E101-verklaring geen bindende werking heeft voor Nederland. Tevens is het beleid van de SVB, waarin wordt gesteld dat een betrokkene redelijkerwijs op de hoogte moet zijn van premieplicht, pas in 2014 gepubliceerd en was dus niet kenbaar ten tijde van de premiebetaling en het verzoek.
De rechtbank concludeert dat de SVB ten onrechte heeft geweigerd een regularisatieovereenkomst te sluiten. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de SVB wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen in overleg met de bevoegde Luxemburgse autoriteiten. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.