ECLI:NL:RBROT:2018:4434
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens vondst handelshoeveelheid cocaïne
Op 21 december 2017 werd in een woning 26 kilogram cocaïne, twee sealapparaten, een airsoftpistool en € 280.750,- contant geld aangetroffen. De burgemeester legde op grond van artikel 13b Opiumwet een last onder bestuursdwang op tot sluiting van de woning voor zes maanden. Verzoekster, eigenaar van de woning, was ten tijde van de inval in Suriname en had geen weet van de situatie. Haar ex-schoonzoon, aan wie de vondst gerelateerd is, is gedetineerd en haar dochter heeft incidenteel op de woning gepast. De woning was feitelijk niet bewoond na de vondst.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de hoeveelheid drugs een handelshoeveelheid betreft en dat de burgemeester bevoegd is tot sluiting. Echter, gelet op de omstandigheden, waaronder het ontbreken van aantoonbare drugsgerelateerde overlast en het feit dat de woning niet meer bewoond is, is een sluiting van zes maanden niet redelijk. Na drie maanden wordt de relatie van de woning met het criminele milieu voldoende verbroken geacht.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het besluit tot sluiting met ingang van 10 juli 2018, en bepaalt dat verzoekster het betaalde griffierecht wordt vergoed. Tevens worden de proceskosten van verzoekster aan verweerder opgelegd.
Uitkomst: De sluiting van de woning wordt geschorst en beperkt tot drie maanden, met vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekster.