ECLI:NL:RBROT:2018:5418
Rechtbank Rotterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Vordering tot wedertewerkstelling van procesjurist na beëindiging tijdelijke plaatsing
Eiser, sinds 2012 werkzaam als procesjurist bij FNV en boventallig verklaard sinds 2015, vordert in kort geding wedertewerkstelling na beëindiging van zijn tijdelijke plaatsing per 1 mei 2018. Hij stelt dat het sociaal plan een werkgelegenheidsgarantie tot 1 oktober 2018 biedt en dat FNV geen redelijke grond heeft voor beëindiging.
FNV voert aan dat de tijdelijke werkzaamheden zijn geëindigd, dat er onvoldoende formatie is en dat de arbeidsrelatie duurzaam verstoord is. Tevens stelt FNV dat de bedrijfseconomische omstandigheden wijziging rechtvaardigen en dat de vordering tot loonbetaling niet relevant is omdat salaris wordt doorbetaald.
De kantonrechter oordeelt dat het sociaal plan verplicht tot het bieden van passende tijdelijke werkzaamheden gedurende de looptijd, dat FNV onvoldoende feiten heeft gesteld om beëindiging te rechtvaardigen en dat de stelling van een verstoorde arbeidsrelatie niet voldoende is onderbouwd. De vordering tot wedertewerkstelling wordt daarom toegewezen, met een dwangsom bij niet-naleving. De loonvordering en kostenveroordeling worden afgewezen, en de proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: FNV wordt veroordeeld tot wedertewerkstelling van eiser in tijdelijke werkzaamheden als procesjurist binnen 24 uur, onder dreiging van een dwangsom.