ECLI:NL:RBROT:2018:6247

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 mei 2018
Publicatiedatum
30 juli 2018
Zaaknummer
6274534
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing achterstallig minimumloon en loonstrookverstrekking na ontslag op staande voet

In deze zaak vordert de werknemer betaling van achterstallig loon na een ontslag op staande voet. De werknemer stelde dat hij een hoger loon verdiende dan door de werkgever erkend. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer onvoldoende bewijs heeft geleverd voor het door hem opgegeven loon van €1.400 netto per maand. Daarom wordt het wettelijk minimumjeugdloon als uitgangspunt genomen.

De kantonrechter baseert de arbeidsomvang op loonstroken van maart tot juni 2017, waaruit een arbeidsduur van 32 uur per week blijkt. Het uurloon wordt vastgesteld op het wettelijk minimumjeugdloon voor een 20-jarige, zijnde €6,66 per uur vanaf 1 juli 2017 en €6,71 per uur vanaf 1 januari 2018. Dit leidt tot een bruto achterstallig loon van €6.936,80 over de periode 1 juli 2017 tot 14 februari 2018.

Daarnaast wordt de wettelijke rente en een gematigde wettelijke verhoging van 10% toegewezen. De werkgever wordt veroordeeld om correcte loonstrookjes te verstrekken, onder dreiging van een dwangsom van maximaal €1.500. Proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van €6.936,80 bruto achterstallig loon met rente en tot verstrekking van correcte loonstrookjes onder dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6274534 \ VZ VERZ 17-22447
uitspraak: 2 mei 2018
beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [plaatsnaam],
verzoeker en verweerder,
gemachtigde: mr. J.C. Debije,
tegen
[verweerder], handelend onder de naam [handelsnaam],
zaakdoende te Schiedam,
verweerder en verzoeker,
gemachtigde: mr. A. Mao.
Partijen blijven hierna aangeduid als “[verzoeker]” respectievelijk “[verweerder]”.

1.Het verdere van de procedure

Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennisgenomen:
  • de beschikking van 14 februari 2018 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
  • de akte uitlating aan de zijde van [verzoeker], ontvangen op 12 maart 2018;
  • de akte uitlaten hoogte uurloon aan de zijde van [verweerder], ontvangen op 14 maart 2018;
  • de akte uitlating aan de zijde van [verzoeker], ontvangen op 10 april 2018;
  • de akte nader uitlaten hoogte uurloon aan de zijde van [verweerder], ontvangen op 10 april 2018.
De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking bepaald op heden.

2.De verdere beoordeling

ten aanzien van het verzoek van [verzoeker]

2.1
De kantonrechter verwijst allereerst naar de inhoud van de tussenbeschikking van
14 februari 2018, waar de kantonrechter bij blijft. In die tussenbeschikking is [verzoeker] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat het loon dat hij bij [verweerder] verdiende € 1.400,00 netto per maand was, waarvan een deel giraal en een deel contant aan hem werd betaald en zijn beide partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de hoogte van het uurloon van [verzoeker] bij [verweerder].
2.2
[verzoeker] heeft bij akte medegedeeld ervan af te zien van de bewijsmogelijkheid gebruik te maken. Dit brengt mee dat er in rechte niet van kan worden uitgegaan dat het loon van [verzoeker] bij [verweerder] € 1.400,00 netto per maand bedroeg.
2.3
Voor het bepalen van het nog aan [verzoeker] toekomende achterstallige loon vanaf 1 juli 2017 ziet de kantonrechter aanleiding om voor de arbeidsomvang per week als uitgangspunt te nemen de inhoud van de overgelegde salarisstroken over de maanden maart tot en met juni 2017. Partijen zijn het er immers over eens dat daarin het netto loon vermeld staat dat [verzoeker] laatstelijk maandelijks giraal ontving. In die loonstroken staat dat [verzoeker] per maand 138,67 “loonuren” verdeeld over 17,33 “loondagen” had. Dit komt overeen met een arbeidsomvang van 32 uur per week.
2.4
[verzoeker] heeft, gelet op zijn leeftijd van 20 jaar (in de periode vanaf 1 juli 2017 tot 14 februari 2018), recht op minimaal het wettelijk minimum jeugdloon.
Uit de laatste akten van partijen over het uurloon van [verzoeker] blijkt dat zij het erover eens zijn dat [verzoeker] recht had op het wettelijk minimum jeugdloon en dat het uurloon dat in de overgelegde loonstroken vanaf 5 mei 2017, zijnde de datum dat [verzoeker] 20 jaar is geworden, vermeld staat, daarmee niet correspondeert, maar lager is. Uit de van toepassing zijnde cao blijkt dat de normale arbeidsomvang in een werkweek in de kappersbranche 38 uur is. Hiermee rekening houdend, bedraagt per 1 juli 2017 het minimumloon per uur voor een twintigjarige € 6,66 en per 1 januari 2018 € 6,71, zoals [verzoeker] bij akte uitlating heeft gesteld.
2.5
Het vorenstaande brengt mee dat [verweerder] over de periode vanaf 1 juli 2017 tot en met 31 december 2017 nog (26 x 32 x € 6,66 =) € 5.541,12 bruto aan achterstallig loon aan [verzoeker] verschuldigd is en over de periode vanaf 1 januari 2018 tot 14 februari 2018 (6,5 x 32 x
€ 6,71 =) € 1.395,68 bruto, derhalve in totaal € 6.936,80 bruto.
2.6
De wettelijke rente over het achterstallige salaris zal worden toegewezen. [verweerder] heeft weliswaar verzocht tot matiging van de wettelijke rente, maar heeft hiertoe niets gesteld.
2.7
Gelet op de omstandigheden van het geval wordt de wettelijke verhoging over het achterstallige loon ex artikel 7:625 BW Pro gematigd tot 10%.
2.8
De vordering tot het verstrekken van correcte loonstrookjes die betrekking hebben op het toe te wijzen achterstallige salaris zal worden toegewezen. De daarbij gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat deze eerst verbeurd zal worden na de betekening van deze beschikking en gemaximeerd zal worden op € 1.500,00.
2.9
Nu beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De kantonrechter:
ten aanzien van het verzoek van [verzoeker]
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] tegen kwijting te betalen € 6.936,80 bruto aan achterstallig loon over de periode vanaf 1 juli 2017 tot 14 februari 2018, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro en de wettelijke verhoging van 10% in de zin van artikel 7:625 BW Pro over het achterstallige loon vanaf de data der opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] deugdelijke bruto/netto specificaties, waarin het in deze beschikking toegewezen bedrag aan achterstallig salaris verwerkt is, te verstrekken, op straffe van een door [verweerder] te verbeuren dwangsom van € 100,00 per dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat [verweerder] na betekening van deze beschikking in gebreke blijft met voldoening aan deze veroordeling, met een maximum van € 1.500,00;
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
757