De zaak betreft de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen Stichting Pameijer en een werknemer die als Assistent Ervaringsdeskundige werkzaam was. De werknemer had een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd en viel sinds maart 2018 uit wegens ziekte na het overlijden van een cliënt.
In mei 2018 kwam aan het licht dat de werknemer een seksuele relatie onderhield met een cliënt van Pameijer, ondanks een expliciet verbod om contact te hebben met deze cliënt. Tevens werd vastgesteld dat er sprake was van gezamenlijk drugsgebruik en het gebruik van een aparte telefoon om contact te onderhouden. De werknemer ontkende aanvankelijk enkele feiten en loog over het contact.
Pameijer verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van ernstig verwijtbaar handelen, waarbij de vertrouwensbreuk onherstelbaar was. De werknemer voerde verweer met onder meer het ontbreken van kennis over het verbod, wederzijdse instemming en persoonlijke omstandigheden, waaronder ziekte en psychische problemen.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer bekend was met het verbod op een relatie met een cliënt, dat zij dit bewust heeft genegeerd en hierover heeft gelogen. Het gedrag werd als ernstig verwijtbaar aangemerkt, waardoor ontbinding billijk was. Gezien de omstandigheden werd de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2018 ontbonden zonder vergoeding, en werd de werknemer veroordeeld in de proceskosten.