Conclusie
1.Feiten
“
kan dit naar [betrokkene 2] verklaren met het feit dat je hand in hand loopt met je vriendin maar niet met je begeleider”.
eerste formele waarschuwing" gekregen omdat zij zich niet gehouden had aan een afspraak die tijdens een teamvergadering van 6 maart 2015 was gemaakt over communicatie met derden. [werkneemster] kreeg de waarschuwing (onder meer) omdat zij zich aan die afspraak niet had gehouden door niet met [betrokkene 1] , maar met derden te spreken over een besluit dat in samenwerking met de woningcorporatie en [betrokkene 1] namens De Roef was genomen.
[werkneemster] geeft aan dat zij nu pas ziet hoe fout het is wat ze doet, dat het nu pas duidelijk is en dat het niet meer zal gebeuren".
De buurman, die met [betrokkene 2] gaat wandelen vroeg of ik mee wilde naar bijeenkomst bij ouders thuis om nogmaals uit te leggen wat het precies inhoudt. Ik zag op dat moment niet dat het ging om scheiding werk en privé. Nu zie ik dat wel.
Ik heb [werkneemster] afgelopen maandag gevraagd of ze dit wil en [werkneemster] zou de uitnodiging graag aannemen maar zei dat er eerst akkoord van de leidinggevende nodig is voordat zij op vakantie gaat met een bewoner.”
Relaties en vriendschappen" onder meer het volgende:
Ook door beide partijen gewenste privérelaties tussen medewerkers en bewoners (of hun familie) zijn niet toegestaan. In dergelijke situaties dient onmiddellijk de coördinator te worden ingelicht en wordt gezamenlijk en in overleg naar een adequate oplossing gezocht”.
Hai [werkneemster] , tijdens je functioneringsgesprek kwam de vakantie met [betrokkene 2] ter
Ik lees dat binnen de context van de werkomgeving andere dan professionele relaties en contacten niet zijn toegestaan. In zijn algemeenheid begrijp ik dat maar deze regel heeft geen betrekking op de situatie van [betrokkene 2] . (...) Privé relaties, ook door beiden gewenst, tussen medewerkers en bewoners zijn niet toegestaan. Ook die regel is op [betrokkene 2] niet van toepassing. Uiteraard is noch [betrokkene 2] noch [werkneemster] uit op een relatie. Het idee alleen al! (Van [betrokkene 5] begrepen wij dat er vreemde verhalen de rondte deden omdat [betrokkene 2] een keer wandelde hand-in-hand met [werkneemster] . Nu is hét zo dat [betrokkene 2] 5x aan zijn rechteroog is geopereerd en met dat oog niets ziet. Met zijn linkeroog heeft hij nog 15% visus. Hij ziet dus erg slecht en al helemaal geen diepte. Hij zoekt bij een wandeling dus vaak de hand van een begeleider, [betrokkene 6] of mij en straks van [betrokkene 7] . Dat ter verduidelijking)”.
Wat mijn reactie betreft: Andere dan professionele relaties zijn niet toegestaan. Dat is een algemeen geldende regel in de zorg (...). Inmiddels is dit de 3e keer dat een dergelijk verzoek van jullie ons bereikt. Het lijkt mij dan ook wenselijk dat jullie het bestuur vragen of dat wil nagaan hoe andere ouders tegenover dergelijke verzoeken staan, en waar zij vinden dat de grens moet liggen.”
Ik kan echter niet tot een antwoord en een keuze komen. Bovendien is het niet aan mij om een keuze te maken want er staat in verslag functioneringsgesprek dat er toestemming van Leidinggevende nodig is als het gaat om situaties van vermenging werk en privé.”
Dag [werkneemster] , afgelopen week heb ik vanuit meerdere kanten gehoord dat je een dag met [betrokkene 2] mee bent gaan wandelen. Omdat ik liever niet op verhalen afga, vraag ik aan jou, Klopt dit?”
[betrokkene 4] start het gesprek met de aanleiding: op een vraag van [betrokkene 8] per mail van 8 september of zij een dag met bewoner M. heeft gewandeld heeft zij ontkennend geantwoord. Begeleiders hebben echter van bewoner M. iets anders gehoord. [betrokkene 4] stelt [werkneemster] de vraag of dit klopt. Aanvankelijk ontkent [werkneemster] . Zij weet niet waar het over gaat. Zij wil graag weten wat bewoner M. precies heeft gezegd. [betrokkene 4] wil graag van haar dat zij zelf verteld wat er is gebeurd.
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeel(zie het verzoekschrift tot cassatie
onder 2.1e.v.) bevat rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel in rov. 3.18 dat WDZ aan [werkneemster] geen transitievergoeding verschuldigd is, omdat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten van [werkneemster] als bedoeld in art. 7:673 lid Pro 7, aanhef en onder c, BW.
tweede onderdeel(zie het verzoekschrift tot cassatie
onder 2.2e.v.) bevat hoofdzakelijk motiveringsklachten tegen de oordelen van het hof in rov. 3.7 t/m 3.17 dat [werkneemster] door haar handelen en nalaten, meer in het bijzonder omdat zij verzuimd heeft aan WDZ toestemming te vragen voor de overnachting met [betrokkene 2] en diens begeleider, een redelijke grond heeft gegeven voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst (art. 7:669 lid Pro 3, aanhef en onder g BW (verstoorde arbeidsverhouding)); dat herplaatsing niet in de rede ligt (art. 7:669 lid 1 BW Pro) en dat voor toekenning van de door [werkneemster] verzochte billijke vergoeding van art. 7:671b lid 8, onder c, BW geen plaats is.
derde onderdeel(zie het verzoekschrift tot cassatie
onder 2.3) bevat een op de onderdelen 1 en 2 voortbouwende klacht tegen de slotsom in rov. 3.19 en het dictum.
‘een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de arbeidsovereenkomst laat voortduren.’Deze ontslaggrond is ontleend aan art. 5:1 lid 4 van Pro het Ontslagbesluit. [10] Daarin was het volgende bepaald:
ernstigeen
duurzameverstoorde arbeidsverhouding. In de memorie van toelichting bij de Wwz is over deze vereisten, in relatie tot de formulering van de g-grond, het volgende opgemerkt: [11]
zodanig dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.” Niet in alle situaties hoeft echter sprake te zijn van een ‘duurzame’ verstoring. Uit de memorie van toelichting blijkt immers dat ook bij een minder duurzaam verstoorde arbeidsverhouding de arbeidsovereenkomst ontbonden moet kunnen worden, als de ernst daarvan zodanig is dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd. Daarmee lijkt de ontslaggrond ‘verstoorde arbeidsverhouding’ toch in enige mate te zijn verruimd ten opzichte van het Ontslagbesluit en de Beleidsregels ontslagtaak UVW. [12]
in beginselgeen toetsingscriterium is. [13] In de toelichting op het Ontslagbesluit is echter vermeld dat de woorden ‘in beginsel’ worden verwijderd, omdat art. 5:1 lid 4 van Pro het Ontslagbesluit daar bij nader inzien geen ruimte voor laat. [14] Sinds 1 september 2012 luidden de Beleidsregels ontslagtaak UWV op dit punt dan ook als volgt: [15]
[…] & […]) heeft de Hoge Raad bevestigd dat voor de toepassing van de g-grond niet vereist is dat sprake is van enige mate van verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer. De omstandigheid dat de werkgever van het ontstaan of voortbestaan van de verstoring in de arbeidsverhouding een verwijt kan worden gemaakt staat evenmin aan ontbinding op de g-grond in de weg. De Hoge Raad heeft daarover onder 3.3.2 het volgende overwogen: [16]
tweede onderdeel(zie het verzoekschrift tot cassatie
onder 2.2) richt zich hoofdzakelijk tegen het oordeel van het hof dat sprake is van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7:669 lid Pro 3, aanhef en onder g, BW (rov. 3.10 en 3.14).
Nu zie ik dat wel”). Bovendien is tijdens dat gesprek een duidelijke afspraak gemaakt: “
[werkneemster] vermengt privé en werk niet en (…) gaat niet mee op vakantie met bewoner of komt bij bewoners thuis, mits leidinggevende akkoord heeft gegeven”. Het belang dat WDZ aan deze kwestie hechtte, kwam ook, en op een voor [werkneemster] kenbare wijze, tot uitdrukking in het feit dat de directie WDZ op de hoogte was van de afspraak over privé en werk (rov. 3.8).
het onverstandig te vinden” om privé en werk zo stevig te vermengen. (rov. 3.8).
Bovendien is het niet aan mij om een keuze te maken want er staat in verslag functioneringsgesprek dat er toestemming van Leidinggevende nodig is als het gaat om situaties van vermenging werken privé”. (rov. 3.8).
Dit is een serieuze opdracht”) om teamafspraken over de communicatie op papier te zetten naar aanleiding van een e-mailbericht van 14 mei 2015 van [werkneemster] aan derden over een te verlenen terrasvergunning aan café […] liggend tegenover de woningen van [werkneemster] en de woongroep. [werkneemster] heeft bij e-mail van 17 mei 2017 aan [betrokkene 1] de afspraak bevestigd dat alle communicatie via persoonlijke begeleiders en de coördinator loopt en schreef: “
Ik heb het begrepen en zal in het vervolg de aangegeven lijnen volgen”. Het belang dat [betrokkene 1] aan daadwerkelijke nakoming hechtte komt tot uitdrukking in haar e-mail van dezelfde datum:
[werkneemster] , ik wil op papier van je weten hoe je je er aan gaat houden. Je doet dat namelijk niet. Hopelijk werkt het wel als je zelf je eigen afspraken op papier zet”.
[werkneemster] geeft aan dat zij nu pas ziet hoe fout het is wat zij doet, dat het nu pas duidelijk is en dat het niet meer zal gebeuren. [betrokkene 8] geeft aan dat zij weinig vertrouwen heeft in dit antwoord omdat dit antwoord altijd gegeven wordt nadat [werkneemster] zich niet aan afspraken heeft gehouden [betrokkene 8] vraagt aan [werkneemster] of zij een idee heeft hoe ze geholpen kan worden en wat we een volgende keer kunnen ondernemen. [werkneemster] zegt hier geen idee over te hebben. [betrokkene 8] gaat hierover nadenken.”
definitiefhad verloren nadat bleek dat zij verzuimd had toestemming aan WDZ te vragen voor de wijze waarop zij [betrokkene 2] en zijn begeleider behulpzaam is geweest bij de eerste overnachting tijdens [18] hun wandeling over het Pieterpad (rov. 3.10).
eerste subonderdeel(zie
onder 2.2.1) klaagt in de kern dat het hof met zijn oordelen in rov. 3.7 t/m 3.17 vrijwel het gehele verweer van [werkneemster] , zoals weergegeven in het verzoekschrift tot cassatie
onder 2.1.2 in de punten a t/m sheeft miskend, althans onbesproken heeft gelaten, terwijl het dit verweer gelet op het bepaalde in art. 149 Rv Pro – kenbaar – in zijn beoordeling had moeten betrekken. Daarbij gaat het meer specifiek om de navolgende stellingen van [werkneemster] :
haar besluitvaardigheid (is) gebaseerd op een hoge impulsiviteit. Actie staat hoog in haar vaandel en ze is vaak te snel in haar conclusies zonder zaken diepgaand te analyseren”.
tweede subonderdeel(zie
onder 2.2.2) klaagt dat het hof de stellingen van [werkneemster] heeft miskend dat er van oudsher een zodanige vermenging tussen privé en zakelijk was en het handboek zó onduidelijk was, [47] dat WDZ niet zodanig vergaande maatregelen kon en mocht nemen op de actie van [werkneemster] met betrekking tot het verlenen van onderdak aan [betrokkene 2] en [betrokkene 7] en het behulpzaam zijn bij de door hem gewenste vakantie. Gelet op de kennelijk beoogde cultuuromslag en de bekende karakterstructuur van [werkneemster] in het kader van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW Pro), had het op de weg van WDZ gelegen om [werkneemster] daarin nog verder te begeleiden en minder vergaande maatregelen te nemen dan – kort gezegd – een strafontslag. Door vervolgens in plaats daarvan [werkneemster] op non-actief te stellen, heeft WDZ wel degelijk ernstig verwijtbaar gehandeld, zodat het hof aan [werkneemster] ten onrechte de billijke vergoeding heeft ontzegd (rov. 3.16), aldus het subonderdeel.
derde subonderdeel(zie
onder 2.2.3) bevat op de subonderdelen 1 en 2 voortbouwende klachten tegen het oordeel van het hof dat herplaatsing van [werkneemster] niet in de rede ligt (rov. 3.13); tegen de afwijzing van het verzoek van [werkneemster] om toekenning van een billijke vergoeding (rov. 3.16-3.17) en tegen de afwijzing van het verzoek om toekenning van een transitievergoeding (rov. 3.18).
onder 2.1.2 in de punten a t/m s– de Hoge Raad wel lijkt te willen uitnodigen – is in cassatie geen plaats. Het onderdeel licht niet toe in welk opzicht de
onder 2.1.2 in de punten a t/m sgenoemde omstandigheden, zowel op zichzelf beschouwd als in onderlinge samenhang bezien, afbreuk kunnen doen aan de vastgestelde feiten en omstandigheden waaruit het hof heeft afgeleid dat sprake is van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [48]
essentiëlestellingen niet onbesproken mag laten, tenzij deze stellingen in een zo laat stadium van de procedure zijn aangevoerd dat zij op grond van de goede procesorde buiten beschouwing moeten blijven. [51] De rechter behoeft dus niet op
alledoor partijen aangedragen stellingen in te gaan. [52]
eerste twee subonderdelen(zie p. 19-21 van het verzoekschrift) een klacht bevatten met de strekking dat het hof in rov. 3.8 en 3.10 heeft miskend dat [werkneemster] zich heeft verweerd met de stellingen dat er geen duidelijke regels waren (zie hiervoor onder q, r en s); dat er van oudsher een vermenging van werk en privé was, omdat dit nu eenmaal inherent was aan het werk en – in het geval van [werkneemster] – ook aan het wonen in een dienstwoning op het complex (zie hiervoor onder b, g, h, i en m), geldt dat deze klacht faalt. Het hof heeft zijn oordeel in rov. 3.8 (en rov. 3.10) dat het voor [werkneemster] ‘heel duidelijk’ was dat WDZ kritiek had op de wijze waarop zij omging met de scheiding tussen werk en privé, dat WDZ van haar verwachtte dat zij haar professionele grenzen in dat kader zorgvuldig bewaakte en dat zij op z’n minst de toestemming van [betrokkene 1] nodig had voor hulp aan [betrokkene 2] en zijn begeleider bij de eerste overnachting van hun wandeling over het Pieterpad, voldoende gemotiveerd door te verwijzen naar en te citeren uit verschillende stukken (verslag functioneringsgesprek, verslag eigen analyse van [werkneemster] etc.) waaruit dit blijkt. Alle stukken dateren van vlak voor de bewuste logeerpartij, zodat – zo ligt in het oordeel van het hof besloten – de gemaakte afspraken over de scheiding tussen werk en privé, waaronder het vereiste van voorafgaande toestemming van haar leidinggevende, nog vers in het geheugen van [werkneemster] hadden moeten liggen. Uit rov. 3.8 is dan ook voldoende kenbaar dát en waarom het hof het verweer van [werkneemster] dat, kort samengevat, geen sprake was van (voor haar) duidelijke regels (onder q, r en s) heeft verworpen. Ook ligt in rov. 3.8 voldoende kenbaar besloten dat de omstandigheid dat [werkneemster] op het complex woonde en dat er in het verleden ook bij collega’s van [werkneemster] een vermenging van werk en privé was, niet afdoet aan het oordeel dat in ieder geval kort voor de logeerpartij sprake was van duidelijke afspraken tussen WDZ en [werkneemster] en dat [werkneemster] zich bewust was, althans bewust behoorde te zijn, van het grote belang dat WDZ hechtte aan de naleving daarvan.
eerste subonderdeel(zie p. 20 van het verzoekschrift) klaagt dat het hof in rov. 3.10 ten onrechte, althans onbegrijpelijk, heeft overwogen dat “
de intenties van [werkneemster] er niet toe doen”, geldt het volgende. Voor toepassing van de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding) is niet vereist dat sprake is van enige mate van verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer (zie hiervoor onder 3.8-3.9). Dit betekent dat ook als een werknemer uitsluitend met de beste bedoelingen heeft gehandeld er toch sprake kan zijn een vertrouwensbreuk die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. De overweging van het hof in rov. 3.10 dat de omstandigheid dat van [werkneemster] geen andere intentie had dan [betrokkene 2] behulpzaam te zijn
niet afdoetaan het oordeel dat een definitieve vertrouwensbreuk is ontstaan, dient m.i. tegen deze achtergrond te worden gelezen. Het hof heeft met die overweging bovendien kenbaar gereageerd op de stelling van [werkneemster] dat zij met de beste bedoelingen, en zonder enig eigen belang, [betrokkene 2] en zijn begeleider heeft geholpen met onderdak en dat zij daarmee niet in strijd heeft gehandeld met haar bekende interne regels. [53]
eerste twee subonderdelen(zie p. 20-21 van het verzoekschrift) een klacht bevatten met de strekking dat het hof heeft miskend dat WDZ door [werkneemster] op non-actief te stellen bewust heeft aangestuurd op een breuk; deze ‘onterechte schorsing’ kwalificeert als ‘ernstig verwijtbaar handelen of nalaten’ als bedoeld in art. 7:671b lid 8, onderdeel c, BW en daarom aan [werkneemster] een billijke vergoeding had moeten worden toegekend, dient deze te falen. Het hof heeft geoordeeld dat de verstoring van de arbeidsverhouding zijn oorzaak vindt in het feit dat [werkneemster] zich herhaaldelijk niet heeft gehouden aan duidelijke afspraken (rov. 3.17). In dit oordeel ligt besloten dat de verstoring dus niet (doelbewust) is veroorzaakt door WDZ. Dit oordeel is in het licht van de vaststaande feiten en gedingstukken niet onbegrijpelijk en leent zich verder niet voor toetsing in cassatie.
eerste subonderdeel(zie p. 20 van het verzoekschrift) dat het hof heeft miskend dat de ‘officiële waarschuwing’ waar het in rov. 3.9 aan refereert over iets heel anders ging dan de vermenging van werk en privé, te weten dat [werkneemster] met buitenstaanders heeft gepraat over een besluit dat binnen de stichting is genomen, faalt eveneens. Met zijn overweging in rov. 3.9, eerste volzin, dat de in rov. 3.7 beschreven gebeurtenis niet op zichzelf stond, heeft het hof slechts tot uitdrukking willen brengen dat [werkneemster] zich al eerder, in maart en mei 2015, niet aan gemaakte afspraken had gehouden. Daarbij heeft het hof, zoals ook blijkt uit de inhoud van rov. 3.9, niet miskend dat het om andere afspraken ging. Met rov. 3.9 heeft het hof inzichtelijk willen maken dat de schending van de gedragsregels en de overtreding van de gemaakte afspraken over vermenging van werk en privé plaatsvonden in een periode waarin WDZ al weinig vertrouwen had in [werkneemster] vanwege eerder door haar geschonden afspraken. Dit maakt mede dat WDZ het vertrouwen in [werkneemster] definitief verloor nadat bleek dat zij verzuimd had toestemming aan WDZ te vragen voor de wijze waarop zij [betrokkene 2] en zijn begeleider behulpzaam is geweest bij de overnachting voorafgaand aan hun wandeling over het Pieterpad (rov. 3.10).
eerste subonderdeel(zie p. 21 van het verzoekschrift) dat het hof niet tot het oordeel kon komen dat het vertrouwen van WDZ in [werkneemster] “reeds onder druk stond” (rov. 3.10), omdat [werkneemster] deze stelling van WDZ [54] heeft betwist [55] (zie p. 21 onder verwijzing naar het gestelde
onder 2.1.4van het verzoekschrift tot cassatie), faalt eveneens. Mede gelet op de uitvoering onderbouwde stellingen van WDZ, [56] heeft het hof die enkele betwisting kennelijk niet voldoende geacht. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet.
derde subonderdeel(zie
onder 2.2.3) dat is gericht tegen het oordeel dat herplaatsing van [werkneemster] niet in de rede ligt (rov. 3.13) en tegen de afwijzing van het verzoek van [werkneemster] om toekenning van een billijke vergoeding (rov. 3.16-3.17). Anders dan het subonderdeel bij de voortbouwklacht over het herplaatsingsoordeel kennelijk tot uitgangspunt neemt, ligt in het oordeel van het hof voldoende kenbaar besloten dat de verstoring van de arbeidsovereenkomst niet (doelbewust) door WDZ is veroorzaakt.
eerste onderdeelkomt met verschillende rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van het hof in rov. 3.18, dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van
ernstig verwijtbaar handelen en/of nalatenvan [werkneemster] als bedoeld in art. 7:673 lid Pro 7, aanhef en onder c BW, zodat WDZ aan [werkneemster] geen transitievergoeding verschuldigd is (onder
2.1 e.v.). Voordat ik het eerste onderdeel bespreek, schets ik het juridisch kader.
dan wel geheel of gedeeltelijk te wijtenis aan de werknemer. Ook in andere Wwz-bepalingen waarin ‘ernstige verwijtbaarheid’ als criterium is opgenomen, was deze toevoeging opgenomen, zoals onder meer in art. 7:671b lid 8, sub c, BW (billijke vergoeding bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever). De Raad van State was kritisch over de maatstaf ‘
geheel of gedeeltelijk te wijten aan de werknemer’. Daarbij werd zowel ingegaan op ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever (leidend tot een aanspraak op de billijke vergoeding), als op ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer (leidend tot verval van de aanspraak op de transitievergoeding: [62]
Volgens de begeleidende brief bij de adviesaanvraag wordt met het criterium «ernstige verwijtbaarheid» beoogd een zogenaamd «muizengaatje» te creëren. Hieraan wordt in de toelichting als volgt invulling gegeven: «ernstige verwijtbaarheid dan wel situaties die te kenschetsen zijn als een situatie waarin het feit dat de arbeidsrelatie beëindigd moet worden geheel of grotendeels te wijten is aan de ene of andere partij». Het gaat hierbij om uitzonderlijke gevallen waarbij de vergoeding een ander karakter heeft dan de transitievergoeding. Het criterium dient enerzijds niet zo ruim te zijn dat van de billijke vergoeding een aanzuigende werking uitgaat, anderzijds dient compensatie van werkelijk onrecht wel te zijn gewaarborgd. Vanuit de positie van de werknemer dient te worden voorkomen dat de werknemer al te makkelijk zijn recht op de transitievergoeding wordt ontzegd.
Het kabinet volgt dan ook het advies van de Afdeling op om het criterium voor toekenning van een billijke vergoeding of het niet toekennen van de transitievergoeding aan te passen in de zin dat de tweede vergoedingsgrond («geheel of grotendeels te wijten aan») wordt geschrapt. Het kabinet is van mening dat het criterium «ernstig verwijtbaar handelen of nalaten» niet zodanig ruim is dat het een aanzuigende werking heeft, maar wel de mogelijkheid geeft om werkelijk onrecht te compenseren. (…)Bij de keuze voor het schrappen van de zinsnede «geheel of grotendeels te wijten aan» heeft het kabinet acht geslagen op het door de Afdeling genoemde mogelijke risico dat in de praktijk het element «ernstig verwijtbaar handelen of nalaten» een groter bereik dan beoogd zou kunnen krijgen, wanneer rechters een in hun ogen onbillijke situatie onder deze vergoedingsgrond zouden willen brengen. Het kabinet wijst erop dat dit niet mogelijk zal zijn, nu dergelijke situaties die niet ernstig verwijtbaar zijn niet in aanmerking komen voor een additionele billijke vergoeding naast de transitievergoeding. Dit blijkt uit de formulering van de bepaling en de toelichting betreffende de additionele vergoeding. De beoogde beperkte reikwijdte komt voorts tot uitdrukking in het feit dat de toets of het ontslag redelijk is, mede in het licht van de gevolgen van het ontslag voor de werknemer en de door de werkgever getroffen voorzieningen om deze gevolgen te ondervangen, geen onderdeel vormt van het criterium, omdat zulks reeds is verdisconteerd in de transitievergoeding.Het kabinet is van mening dat uit de toelichting voldoende blijkt dat het criterium met terughoudendheid moet worden toegepast en verwacht ook dat rechters
met terughoudendheidzou moeten worden toegepast.
in samenhangbesproken met de ‘ernstige verwijtbaarheid van de werkgever, die leidt tot het verschuldigd zijn van de billijke vergoeding (mijn onderstreping): [64]
- de situatie waarin de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering, bedrog of andere misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt;
- de situatie waarin de werknemer in strijd met eigen in de praktijk toegepaste en voor de werknemer kenbare gedragsregels van de organisatie van de werkgever, geld leent uit de bedrijfskas en zulks leidt tot een vertrouwensbreuk;
- de situatie waarin de werknemer controlevoorschriften bij ziekte herhaaldelijk, ook na toepassing van loonopschorting, niet naleeft en hiervoor geen gegronde reden bestaat;
- de situatie waarin de werknemer veelvuldig en zonder gegronde reden te laat op zijn werk verschijnt, hierdoor de bedrijfsvoering wordt belemmerd en de werkgever de werknemer hier al tevergeefs op heeft aangesproken;
- de situatie waarin de werknemer op oneigenlijke wijze heeft geprobeerd zijn productiecijfers gunstiger voor te stellen en hij hierdoor het vertrouwen van de werkgever ernstig heeft beschaamd.
In de derde plaats komt het zogenoemde gevolgencriterium zoals we dat thans in het BW kennen (zie hiervoor) te vervallen. In plaats daarvan zal iedere werknemer, anders dan nu het geval is en volgens in de wet gestelde voorwaarden, bij ontslag recht hebben op een transitievergoeding. Die voorwaarden zijn dat het dienstverband ten minste twee jaar heeft bestaan en het ontslag niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer (voorbeelden hiervan zijn genoemd in de memorie van toelichting). De rechter kan een additionele – billijke – vergoeding toekennen als het ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook hiervan zijn voorbeelden genoemd in de memorie van toelichting.Ook deze wijziging is gericht op het vereenvoudigen van het ontslagrecht en het bevorderen van de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid waarbij in mindere mate rekening wordt gehouden met het feit dat in ontslagzaken de verwijtbaarheid over en weer verschillende gradaties kent.Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt (pagina 65) betekent het hiermee rekening willen houden, dat de gang naar de rechter snel zal zijn gemaakt en dat is wat de regering en ook sociale partners nu juist willen voorkomen. Hierbij snijdt het mes aan twee kanten.Een ontslag dat het gevolg is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zal niet leiden tot het verlies van zijn transitievergoeding, behoudens in die gevallen waar het gedrag als ernstig verwijtbaar is te kwalificeren. Vice versa geldt dat een ontslag dat het gevolg is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever niet zal leiden tot een aanvullende vergoeding, wederom behoudens in die gevallen waar sprake is van ernstig verwijtbaar gedrag van de zijde van de werkgever.”
Het lid van de fractie van de SGP vraagt hoe het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te rechtvaardigen is dat een werkgever die zich op voortreffelijke wijze van zijn verantwoordelijkheid gekweten heeft, slechts aan het betalen van een transitievergoeding kan ontkomen wanneer sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer.Hij vraagt hoe de wens van de regering om transitie te bevorderen te rijmen is met het creëren van een zekerheid voor de werknemer dat hij zelfs bij overwegende verwijtbaarheid zijnerzijds op een gefixeerde vergoeding kan rekenen.
verschillende gradaties van verwijtbaarheid’ past daarbij niet. Het is daarom niet de bedoeling dat de rechter precies uitpluist in welke mate werkgever en werknemer over en weer schuld hebben aan het ontslag. De rechter moet het begrip ‘ernstige verwijtbaarheid’ met
terughoudendheidhanteren, en alleen in
duidelijke gevallenaannemen dat sprake is van ernstige verwijtbaarheid van de werknemer (of van de werkgever). Werknemer of werkgever moeten ‘fors de fout’ in zijn gegaan, zoals het door enkele kamerleden werd uitgedrukt.
Bij ‘gewoon’ verwijtbaar handelen of nalaten dient de werknemer zijn aanspraak op de transitievergoeding dus te behouden. Dit is gerechtvaardigd, omdat de keerzijde daarvan is dat de werkgever alleen in uitzonderlijke gevallen méér hoeft te betalen dan de transitievergoeding (de billijke vergoeding). Ook voor de werkgever geldt immers het criterium van ‘ernstige verwijtbaarheid’ en daarmee geldt ook voor de werkgever dat ‘gewoon’ verwijtbaar handelen geen consequenties heeft. In dit systeem ligt besloten dat alleen in
uitzonderlijkegevallen sprake kan zijn van ernstige verwijtbaarheid en dus alleen in uitzonderlijke gevallen de aanspraak op de transitievergoeding vervalt. De in de memorie van toelichting gegeven voorbeelden van verlies van de transitievergoeding (en ook de voorbeelden waarin de werkgever een billijke vergoeding is verschuldigd) onderstrepen dit: er moet écht iets aan de hand zijn.
duidelijkeernstige verwijtbaarheid. Zo is het recht op de transitievergoeding aan de werknemer ontzegd bij fraude of diefstal, [70] seksuele intimidatie, [71] het structureel niet-naleven van re-integratievoorschriften, [72] het herhaaldelijk en zonder deugdelijke reden niet verschijnen op het werk, [73] het handelen in verdovende middelen, [74] het verstrekken van onjuiste informatie over identiteit en opleiding bij sollicitatie, [75] het openen van vertrouwelijke poststukken, [76] het onbevoegd uitschrijven van recepten door een doktersassistente, [77] agressief en intimiderend gedrag jegens collega’s, [78] het besturen van een bedrijfsbusjes met cliënten onder invloed van alcohol, [79] het onbevoegd raadplegen van een elektronisch patiëntendossier, [80] cocaïnegebruik van een havenmedewerker, [81] het onvoldoende op de hoogte houden van de werkgever van het verloop van het ziekteproces; [82] het verwijderen van e-mails van opdrachtgever met daarin uitvoeringsopdrachten, zonder deze in de organisatie verder uit te zetten; [83] het gebruik van depotgelden die aan de werkgever toebehoren voor privé-uitgaven; [84] een te hoog alcoholpromillage in het bloed tijdens vlucht van een copiloot; [85] de weigering om openheid van zaken te geven over een strafzaak; [86] het onderhouden van een relatie met een verstandelijk beperkte cliënt na door werkgever op deze relatie te zijn aangesproken. [87]
Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten in de Wwz” (ook wel aangeduid als het Sinzheimer-rapport). [91] Het onderzoek draait om de vraag hoe in de praktijk toepassing wordt gegeven aan het criterium ‘ernstig verwijtbaar handelen of nalaten’. Uit het rapport blijkt dat rechters kritisch toetsen en niet snel tot het oordeel komen dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. De lat voor ernstige verwijtbaarheid ligt dus hoog. Uit het onderzoek komt ook naar voren dat als al is vastgesteld dat sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet, de stap naar ernstige verwijtbaarheid snel is gemaakt. [92]
In geval zich diverse van elkaar losstaande niet ernstig verwijtbare gedragingen hebben voorgedaan, leveren deze bij elkaar opgeteld geen ernstig verwijtbare gedraging van de werknemer op. De werknemer is dan steeds onder de hoge lat van ernstige verwijtbaarheid gebleven.”
nieternstig verwijtbaar had gehandeld of nagelaten (en hij de transitievergoeding dus gewoon moest betalen), verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
Dräger-beschikking, waarin de Hoge Raad oordeelde dat ook bij een ontslag op staande voet afzonderlijk zal moeten worden beoordeeld of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, waardoor de transitievergoeding niet meer verschuldigd is. [102] De aanwezigheid van een dringende reden voor het ontslag op staande voet, leidt dus niet automatisch tot het vervallen van de aanspraak op de transitievergoeding. Inhoudelijke aanwijzingen zijn hierbij verder niet gegeven.
Schrijver/Van Essenkan worden afgeleid wat de achtergrond is van de regel dat bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen van het ontslag op staande voet, moeten worden betrokken. De Hoge Raad overwoog daarover het volgende: [103]
het gevolg isvan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten in de zin van deze bepaling, wordt dus aangeknoopt bij de redenen voor het ontslag. Het gaat dan dus
nietom ‘alle omstandigheden van het geval’, maar om de gedragingen van de werknemer die hebben geleid tot het ontslag. Dat betekent dat in het kader van de beoordeling van de ernstige verwijtbaarheid van art. 7:673 lid Pro 7, aanhef en onder c, BW, naar díe gedragingen zal moeten worden gekeken.
die van invloed zijn op de mate van verwijtbaarheidvan de gedraging die tot het ontslag heeft geleid.
kunnenstaan met de mate van verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werknemer. In dat geval kunnen ook deze omstandigheden worden betrokken bij de oordeelsvorming over de toepasselijkheid van art. 7:673 lid Pro 7, aanhef en onder c, BW.
Dräger-beschikking (zie ook onder 3.50). Zoals besproken heeft de Hoge Raad in deze zaak beslist dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten als bedoeld in art. 7:673 lid Pro 7, aanhef en onder c, BW niet kan worden aangenomen op de enkele grond dat sprake is van een dringende reden voor onverwijlde opzegging als bedoeld in art. 7:677 lid 1 BW Pro. [105] Daardoor is het niet uitgesloten dat een werknemer die rechtsgeldig op staande voet is ontslagen, recht heeft op een transitievergoeding. De rechter zal daarom, indien hij van oordeel is dat sprake is van een dringende reden (en ook overigens is voldaan aan de vereisten voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet), de aanspraak van de werknemer op een transitievergoeding
afzonderlijkmoeten beoordelen, aldus de Hoge Raad. [106]
eerste onderdeelbestaat uit vier subonderdelen (zie
onder 2.1.1 tot en met 2.1.4) en is gericht tegen rov. 3.18, waarin het hof het volgende overweegt:
3.18 [werkneemster] maakt tevens aanspraak op de transitievergoeding van art. 7:673 lid Pro 1b BW. WDZ stelt dat [werkneemster] daar geen aanspraak op kan maken omdat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [werkneemster] als bedoeld in art. 7:673 lid Pro 7, onderdeel c, BW.
de relatie tussen [werkneemster] en [betrokkene 1] reeds onder druk stond omdat [betrokkene 1] kritiek had op de naleving door [werkneemster] van gemaakte afspraken waaronder afspraken op het gebied van het maken van onderscheid tussen werk en privé;
[betrokkene 1] , vanwege die kritiek over het maken van dat onderscheid, tijdens het functioneringsgesprek van 24 juni 2016 een duidelijke afspraak met [werkneemster] heeft gemaakt en daarover de directie van WDZ heeft geïnformeerd;
[werkneemster] reeds binnen een maand nadat de afspraak met haar was gemaakt, verzuimde om toestemming aan [betrokkene 1] te verzoeken terwijl zij vanwege het belang dat WDZ aan naleving hechtte, behoorde te weten dat de overnachting met [betrokkene 2] en zijn begeleider, de voorafgaande toestemming van [betrokkene 1] behoefde;
[werkneemster] , nadat het WDZ ter ore was gekomen dat zij mogelijk toch in strijd met de afspraak had gehandeld, niet meteen openheid van zaken aan WDZ heeft gegeven over haar betrokkenheid bij de wandelvakantie van [betrokkene 2] en diens begeleider.
eerste subonderdeel(zie
onder 2.1.1) stelt de vraag aan de orde of bij de beoordeling of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer als bedoeld in art. 7:673 lid Pro 7, aanhef en onder c, BW – net als bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden als bedoeld in art. 7:677 en Pro 7:678 BW – de persoonlijke omstandigheden van de werknemer moeten worden betrokken, voor zover deze door de werknemer zijn gesteld of blijken uit de processtukken. Het subonderdeel betoogt dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord en stelt dat het hof dit heeft miskend, althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.
tweede subonderdeel(zie
onder 2.1.2) klaagt dat het hof ten onrechte niet (kenbaar) het verweer van [werkneemster] , zoals in het verzoekschrift tot cassatie
onder 2.1.2weergegeven in de punten a t/m s, heeft betrokken in zijn oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen als bedoeld in art. 7:673 lid Pro 7, aanhef en onder c, BW. In het bijzonder uit de punten p t/m s zou blijken dat [werkneemster] uitdrukkelijk heeft weersproken dat er sprake is van verwijtbaar handelen. Dat heeft zij gedaan in het kader van haar verweer tegen de primaire grondslag van het verzoek van WDZ, namelijk ontbinding wegens verwijtbaar handelen of nalaten (de e-grond). Het hof heeft die primaire grondslag onbesproken gelaten en de arbeidsovereenkomst op de meer subsidiaire grondslag ontbonden. Volgens het subonderdeel zou het hof hetzij hebben miskend dat alle omstandigheden van het geval van belang zijn voor de beoordeling van de ernstige verwijtbaarheid als bedoeld in art. 7:673 lid Pro 7, aanhef en onder c, BW, hetzij geen inzicht hebben gegeven in zijn gedachtegang, althans een onbegrijpelijk oordeel hebben gegeven.
derde subonderdeel(zie
onder 2.1.3) dat het hof in rov. 3.18 hetzij blijk heeft gegeven van een onjuiste, want veel te lichte, maatstaf voor ernstige verwijtbaarheid in de zin van art. 7:673 lid Pro 7, aanhef en onder c, BW, hetzij geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven, mede in het licht van de in het verzoekschrift tot cassatie
onder 2.1.2 onder a t/m sgenoemde verweren, in het bijzonder
onder p t/m s, waaruit volgt dat [werkneemster] zich van geen kwaad bewust was, geen eigen belang had en alleen maar wilde helpen, en niet expliciet gewaarschuwd was. Het gaat hier om dezelfde verweren die onder a t/m s zijn opgesomd onder punt 3.12, in het kader van de kritiek op het oordeel van het hof dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie.
g-grond(verstoorde arbeidsverhouding). Dit terwijl WDZ primair ontbinding had verzocht op de e-grond (verwijtbaar handelen); de g-grond was pas meer subsidiair aangevoerd (zie onder 2.3). Het was dan ook logisch geweest als het hof eerst had beoordeeld of het ontbindingsverzoek op de e-grond toewijsbaar was: de rechter dient zich in beginsel te richten naar de rangschikking van eiser/verzoeker. [107]
[…] & […]-beschikking (zie onder 3.9) en is besproken bij het tweede onderdeel (zie onder 3.8-3.9). Er moet dus nogal een sprong worden gemaakt om van ‘verstoorde arbeidsverhouding’ bij ‘ernstige verwijtbaarheid’ te komen. Als de rechter vindt dat de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, ligt het dan ook in de rede dat ontbonden wordt op de e-grond (verwijtbaar handelen). In vrijwel alle zaken waarin de werknemer de transitievergoeding wordt ontzegd wegens ernstig verwijtbaar handelen, is ook inderdaad ontbonden op de e-grond (zie onder 3.39). Als er tóch voor wordt gekozen om te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsverhouding, zal de rechter met een wel heel goede en overtuigende motivering moeten komen waarom óók sprake is van ‘ernstige verwijtbaarheid’.
de mate van verwijtbaarheidvan de gedragingen van [werkneemster] . Zo overweegt het hof in rov. 3.10 dat de omstandigheid dat [werkneemster] geen andere
intentiehad dan [betrokkene 2] behulpzaam te zijn bij een plan dat hij zonder haar hulp niet had kunnen uitvoeren, niet afdoet aan het oordeel dat door haar verzuim om toestemming te vragen voor de wijze waarop zij [betrokkene 2] behulpzaam is geweest een definitieve vertrouwensbreuk is ontstaan. Dat moge zo zijn, maar in het kader van de vraag of sprake is van ‘ernstige verwijtbaarheid’ is wel degelijk relevant dat [werkneemster] geen andere intentie had dan [betrokkene 2] behulpzaam te zijn. Het hof zegt hierover echter niets in rov. 3.18.
nietdat het hof bij zijn oordeel dat sprake is van ernstige verwijtbaarheid heeft betrokken:
(i) de uit het assessmentrapport blijkende persoonlijkheidskenmerken van [werkneemster] (
stellingen a, m en p);
stellingen b en m);
stelling f);
stellingen g, h en i);
stellingen e, j en k).
duidelijkeernstige verwijtbaarheid; dat de rechter
terughoudendmoet zijn met het aannemen van ernstige verwijtbaarheid en dat daarvan slechts in
uitzonderlijkegevallen sprake kan zijn (zie onder 3.36). Naar mijn mening past het onderhavige geval ook niet in het rijtje voorbeelden dat in de wetsgeschiedenis is gegeven van ernstige verwijtbaarheid. [108]
dat de arbeidsverhouding is verstoord(rov. 3.8-13). Daarmee is echter niet automatisch gezegd dat het hof óók voldoende heeft gerespondeerd op deze stellingen
voor zover zij zien op de ernstige verwijtbaarheidvan de gedragingen van [werkneemster] . Zeker nu het ontzeggen van de transitievergoeding alleen mag plaatsvinden in duidelijke en uitzonderlijke gevallen, kan niet te snel worden aangenomen dat in de motivering van een rechterlijk oordeel ‘besloten ligt’ dat verweren van de werknemer die als strekking hebben dat géén sprake was van ernstige verwijtbaarheid, ‘kennelijk’ zijn verworpen.
onder 2.1.2 en 2.1.3)betrekking hebben op het door het hof ten onrechte niet (voldoende kenbaar) betrekken van de hiervoor onder (i) t/m (v) genoemde feiten en omstandigheden, dienen deze naar mijn mening te slagen.
vierde subonderdeel(zie
onder 2.1.4) dat het hof in rov. 3.18 heeft miskend dat [werkneemster] gemotiveerd heeft betwist [109] dat de relatie tussen [werkneemster] en [betrokkene 1] reeds onder druk stond omdat [betrokkene 1] kritiek had op de naleving door [werkneemster] van gemaakte afspraken, waaronder over vermenging werk en privé, faalt. Mede gelet op de onderbouwde stellingen van WDZ, [110] heeft het hof die betwisting kennelijk niet voldoende geacht. Onbegrijpelijk is dat niet.
onder 2.1.4dat het hof heeft miskend dat [werkneemster] gemotiveerd heeft betwist dat [betrokkene 1] tijdens het functioneringsgesprek van 24 juni 2016 een duidelijke afspraak met [werkneemster] heeft gemaakt (s
tellingen onder k, o, q en s). Het hof heeft in rov. 3.7, 3.8, 3.10 en 3.18 voldoende gemotiveerd waarom het dit verweer van [werkneemster] passeert. Onbegrijpelijk is het oordeel van het hof op dit punt niet. Voor zover
onder 2.1.4hierop voortbouwende klachten zijn opgenomen, falen die ook.
onder 2.1.4geklaagd dat het hof heeft miskend dat [werkneemster] heeft betwist dat zij, nadat het WDZ ter ore was gekomen dat zij mogelijk toch in strijd met de afspraak had gehandeld, niet meteen openheid van zaken heeft gegeven (
stellingen onder l in combinatie met n). [111] Ook deze klacht faalt. WDZ heeft in deze procedure, kort samengevat, gesteld dat [werkneemster] uiteindelijk pas in de loop van het gesprek van 13 september 2016 – na aandringen en doorvragen – openheid van zaken heeft gegeven over haar betrokkenheid bij de wandelvakantie van [betrokkene 2] en zijn begeleider. [112] [werkneemster] heeft daartegenover gesteld, kort samengevat, dat WDZ er aanvankelijk ten onrechte vanuit ging dat zij een dag was meegelopen over het Pieterpad. [113] Toen WDZ haar per e-mail van 8 september 2016 en later in het gesprek van 13 september 2016 een daarop gerichte vraag stelde, heeft zij die ontkennend beantwoord. [114] [werkneemster] heeft verder aangevoerd dat zij tijdens het gesprek op 13 september 2016 op de volgende vraag wat er dan wel gebeurd is, heeft geantwoord dat zij met [betrokkene 2] en zijn begeleider heeft gegeten in het huis van haar broer en dat zij daar ook overnacht hebben. [115] Dat het hof (impliciet) heeft geoordeeld dat [werkneemster] hiermee de stelling van WDZ dat zij niet
meteenopenheid van zaken heeft gegeven, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, is niet onbegrijpelijk. Daarbij valt in het bijzonder te wijzen op het onder 2.17 van de bestreden beschikking weergegeven citaat uit het verslag van het gesprek op 13 september 2016. [116] Daaruit blijkt, zoals WDZ ook heeft gesteld, [117] dat [werkneemster] eerst heeft verteld dat zij alleen is gaan eten in Nijmegen. Op de vraag of dat alles was, heeft ze geantwoord met “ja”. Pas na doorvragen heeft ze ook verteld over de overnachting in het huis van haar broer. Het oordeel dat [werkneemster] aldus niet
meteenopenheid van zaken heeft gegeven is niet onjuist of onbegrijpelijk.
derde onderdeel(zie
onder 2.3) bevat op de voorgaande onderdelen voortbouwende klachten tegen de slotsom in rov. 3.19 en het dictum. Dit onderdeel slaagt in zoverre dat na cassatie en verwijzing opnieuw zal moeten worden beoordeeld of WDZ de transitievergoeding niet is verschuldigd wegens ernstig verwijtbaar handelen van [werkneemster] .