Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
[Naam onderneming], te [plaats], verzoekster,
de Autoriteit Financiële Markten (ACM), verweerster.
Procesverloop
mr. V. van Druenen en mr. S.A.M. Meijer. Voorts zijn namens verzoekster verschenen
[naam], [naam] en [naam], allen bedrijfsjurist bij verzoekster. De ACM heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Telder,
mr. H.E. Noordhoek, mr. I.S. Post en mr. E.B.M. Kuijpers.
Overwegingen
Verzoekster bood in maart 2019 op haar homepage een abonnement in combinatie met een toestel onder vermelding van een maandprijs hierbij was in kleine letters vermeld
“i.c.m. Red Essential en Ziggo”. Op de volgende webpagina verschenen vijf stappen om een aanvraagproces te doorlopen. Stap 5 bevatte de vraag “Ben je al Ziggo Klant?” waarachter het schuifje op ja stond. Daaronder stond het totaalbedrag van € 54 per maand vermeld waaronder bij de uitsplitsing ook een korting van € 5 was vermeld met de aanduiding “Ziggo korting”. Die korting was dus ook opgenomen in het maandbedrag van € 54 op de webpagina. Volgens de ACM werd met het op deze wijze aanbieden van abonnementen niet direct duidelijk dat de korting alleen gold voor consumenten die al klant waren bij Ziggo. Volgens de ACM levert bovenstaande een overtreding op van artikel 8.8 van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) in verbinding met artikel 6:193c, eerste lid, aanhef en onder d, van het Burgerlijk Wetboek (BW). De ACM heeft verzoekster voor deze overtreding een bestuurlijke boete van € 1.961.500 opgelegd.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze Uitgangspunten wetsinterpreterend beleid vormen die geen hogere eisen aan de telecomaanbieders stellen dan de eisen die volgen uit artikel 6:193c, aanhef en onder d, van het BW. In dit verband merkt de voorzieningenrechter op dat het op een website vermelden van een aanbiedingsprijs zonder dat meteen zichtbaar is dat dit aanbod alleen geldt bij een bestaand abonnement, waarbij verderop ook die kortingsoptie standaard is aangevinkt, zodat pas verderop in het aankoopproces zichtbaar wordt of de aanbiedingsprijs van toepassing is, naar zijn aard een handelspraktijk vormt waarbij de handelaar foutieve, niet op waarheid gebaseerde informatie verstrekt of informatie die door de wijze van presentatie, hoewel feitelijk gezien correct, op de een of andere manier de consument bedriegt, en die voorts de gemiddelde consument ertoe kan brengen een besluit over een overeenkomst te nemen dat hij anders niet had genomen. Anders dan verzoekster suggereert, is er geen rechtsregel aan te wijzen die de ACM gebiedt wetsinterpreterend beleid vast te stellen in overleg met de branche.
9 mei 2019 is met vermelding van vindplaatsen vermeld dat de ACM in 2016 en 2017 onderzoek heeft gedaan naar het gedrag van consumenten op de telecommarkt.
De bevindingen zijn volgens het rapport betrokken bij het opstellen van de Uitgangspunten. Ter zitting heeft de ACM er voorts op gewezen dat consumenten vanaf 2014 aan de ACM duidelijk maken dat zij prijzen in de telecombranche lastig en doorzichtig vinden en dat zij het moeilijk vinden om abonnementen met elkaar te vergelijken. Verdergaande eisen kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden gesteld.
De voorzieningenrechter wijst in dit verband op het arrest van het Hof van 13 januari 2000 (ECLI:EU:C:2000:8) in de zaak Estée Lauder Cosmetics GmbH & Co. OHG, die zag op de benaming van een cosmeticaproduct. Uit dat arrest volgt dat de nationale rechter bij de vraag of sprake is van een misleidende benaming de vermoedelijke verwachting van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument in aanmerking dient te nemen en dat het gemeenschapsrecht zich er niet tegen verzet dat de nationale rechter, wanneer het bijzonder moeilijk blijkt om het misleidende karakter van de benaming te beoordelen, onder de naar nationaal recht geldende voorwaarden gebruik maakt van een opinie- of deskundigenonderzoek. Daaruit volgt dat het op zaaksniveau verrichten van onderzoek naar consumentengedrag niet de hoofdregel, maar de uitzondering vormt en dat de nationale rechter zelf aannames kan doen. Uit overweging 18 bij de considerans van de Richtlijn OHP en het geciteerde arrest volgt eveneens dat nationale rechtbanken en autoriteiten, rekening houdend met de jurisprudentie van het Hof van Justitie, hun eigen oordeel moeten volgen om vast te stellen wat de typische reactie van de gemiddelde consument in een bepaald geval is. De voorzieningenrechter wijst er in dit verband op dat “de gemiddelde consument” naar zijn aard niet een zuiver empirische maatstaf vormt, maar een geobjectiveerde maatman is. Het gaat aldus – zo volgt ook uit de genoemde overweging 18 – om een niet-statistische gedragsstandaard, met dien verstande dat bij de invulling daarvan rekening moet worden gehouden met maatschappelijke, culturele en taalkundige factoren. De voorzieningenrechter wijst in dit verband voorts nog op het in artikel 11 van Pro de Richtlijn OHP neergelegde uitgangspunt dat de naleving van de Richtlijn OHP in het belang van de consumenten kan worden afgedwongen ook zonder bewijs van daadwerkelijk geleden verlies of schade.
Uit artikel 11, tweede lid, van de Richtlijn OHP en de daarop gebaseerde wetgeving volgt – zoals hiervoor genoemd – dat daadwerkelijke schade niet hoeft te zijn geleden alvorens tot handhaving kan worden overgegaan. Het gaat er dus om dat er in potentie schade (aan de collectieve belangen van consumenten) kan worden toegebracht. Gelet hierop volgt de voorzieningenrechter voorts de ACM in haar standpunt dat sprake is van een overtreding van artikel 8.8 van de Whc en dat de ACM daarom in beginsel bevoegd was om verzoekster bestuurlijke boetes op te leggen op grond van artikel 2.9 van de Whc. ACM heeft voorts in redelijkheid tot oplegging van twee bestuurlijke boetes voor deze overtredingen kunnen overgegaan.