Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
de Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster.
Procesverloop
- geen kosten in rekening te brengen aan de consument-huurder die door verzoekster worden gemaakt in het kader van de uitvoering van bemiddelingsovereenkomsten in het geval van tweezijdige bemiddeling;
- te zorgen dat alle communicatie aan de consument-huurder, zoals de website www.duinzigt.nl, de algemene voorwaarden en formulieren, in lijn is met de aangepaste handelspraktijk, zodat de consument-huurder op basis van deze informatie kan zien dat er geen verboden bemiddelingskosten in rekening worden gebracht.
Overwegingen
In die opinie wordt aan de hand van de wetsgeschiedenis bij het wetsvoorstel tot Wijziging van artikel 417, vierde lid, en van artikel 427 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het tegengaan van het berekenen van dubbele bemiddelingskosten (het wetsvoorstel), de wetssystematiek van de artikelen 7:406 en 7:264, tweede lid, van het BW en de rechtspraak over de laatstgenoemde bepaling het standpunt ingenomen dat onkosten die op de bemiddeling betrekking hebben door de bemiddelaar niet aan de huurder door mogen worden berekend, maar dat andere onkosten wel in rekening mogen worden gebracht.
25 juli 2019 een voorlopig oordeel bevat dat partijen niet bindt in de hoofdzaak. De ACM was daarom niet rechtens gehouden om bij de beslissing op bezwaar rekening te houden met dit voorlopig oordeel. De uitspraak van de voorzieningenrechter had slechts tot gevolg dat een voorziening is getroffen die doorwerkte tot zes weken na die beslissing op bezwaar.
De omstandigheid dat uit een nieuwsbericht op de website van de ACM van 25 juli 2019 kan worden afgeleid dat de ACM niet van zins was om aan die uitspraak gevolg te geven en dat zij zou volstaan met een nadere onderbouwing van de gevolgde aanpak levert – ook gelet op wat hierna over het Selectiedocument wordt overwogen – geen omstandigheid op waaruit kan worden afgeleid dat de ACM in strijd met het in artikel 2:4, eerste lid, van de Awb neergelegde verbod van vooringenomenheid heeft gehandeld.
(vgl. Rb. Rotterdam 16 januari 2004, ECLI:NL:RBROT:2004:AO2763). Geen rechtsregel staat er aan in de weg dat bij het selecteren van mogelijke overtreders tegen wie handhavend wordt opgetreden in elk geval ook recidivisten worden betrokken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter lag het ook gelet op de voorgeschiedenis in de rede dat verzoekster in deze handhavingsronde zou worden betrokken. In dit verband is niet zonder belang dat de genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad betrekking had op een zaak waarbij Duinzigt Woonservice B.V. was betrokken. Verder komt uit het primaire dwangsombesluit naar voren dat de ACM destijds niet heeft volstaan met een waarschuwing aan Duinzigt Woonservice B.V. omdat zij – anders dan andere aangeschreven huurbemiddelaars – geen toezegging heeft gedaan haar werkwijze in overeenstemming te brengen met Afdeling 3A. van Boek 6 van het BW. Duinzigt Woonservice B.V. heeft vervolgens na de prejudiciële beslissing haar bezwaar tegen de eerder aan haar opgelegde last ingetrokken, waarna verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan een vergelijkbare handelwijze.
Daar komt bij dat, zoals hiervoor is overwogen, dat het gelet op de voorgeschiedenis ook in de rede lag dat verzoekster onderdeel uit zou maken van de eerste selectie die is gemaakt aan de hand van het Selectiedocument. Voorts heeft bij de selectie geen groter gewicht hoeven te worden toegekend aan de omstandigheid dat er al dan niet klachten zijn binnengekomen dan het gewicht dat daaraan op grond van het Selectiedocument is toegekend.
16 februari 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BV6089), ziet de voorzieningenrechter wel aanleiding tot het treffen van een beperkte voorlopige voorziening in de hoofdzaak in de zin van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb. De voorzieningenrechter zal bepalen dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot twee weken na de datum volgende op de datum van bekendmaking van de uitspraak aan verzoekster. Binnen die termijn kan verzoekster alsnog de last naleven zonder dwangsommen te verbeuren.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen in de zin van artikel 8:81 van Pro de Awb af;
- verlengt de begunstigingstermijn tot twee weken na de datum volgende op de datum van bekendmaking van de uitspraak aan verzoekster.