De zaak betreft een verzoek van een werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer op grond van een verstoorde arbeidsrelatie (g-grond) dan wel verwijtbaar handelen (e-grond). De werknemer trad in december 2016 in dienst en vervulde verschillende functies, laatstelijk teamleider productie. Vanaf mei 2018 meldde de werknemer zich ziek vanwege spanningsklachten door conflicten met zijn leidinggevende. Na mediation en re-integratie hervatte hij in september 2018 zijn werkzaamheden volledig.
In september 2018 werd de functie van de werknemer opgeheven en bood de werkgever hem een andere functie aan of beëindiging met wederzijds goedvinden. De werknemer weigerde de aangeboden functie en wilde de zaak voor de rechter brengen. De werkgever verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsrelatie en subsidiair verwijtbaar handelen van de werknemer.
De rechtbank oordeelt dat weliswaar sprake is van een verstoring, maar deze is niet ernstig en duurzaam. De werknemer heeft de afspraken omtrent re-integratie niet structureel geschonden en de werkgever heeft onvoldoende onderbouwd dat de werknemer verwijtbaar heeft gehandeld. Ook is onvoldoende aangetoond dat de impasse onoplosbaar is. De werkgever heeft onvoldoende inspanningen verricht om de arbeidsverhouding te normaliseren. Het verzoek tot ontbinding wordt daarom afgewezen.
De voorwaardelijke tegenverzoeken van de werknemer, waaronder een langere opzegtermijn en vergoedingen, worden niet behandeld omdat het ontbindingsverzoek wordt afgewezen. De werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten.