ECLI:NL:RBROT:2019:988
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Toekenning billijke vergoeding en vergoeding onregelmatige opzegging bij niet-rechtsgeldige beëindiging arbeidsovereenkomst
De werknemer trad in mei 1990 in dienst bij de werkgever, die vanwege sluiting van kolencentrales een reorganisatie doorvoerde. De werknemer werd boventallig verklaard en geplaatst in een werk-naar-werktraject van 12 maanden. De werkgever beëindigde de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2018 zonder schriftelijke instemming van de werknemer en zonder toestemming van het UWV, wat later werd erkend en door het UWV werd afgewezen.
De werknemer vorderde vernietiging van het ontslag, later gewijzigd in toekenning van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, transitievergoeding en billijke vergoeding. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag onregelmatig was en dat de werknemer recht had op vergoeding van gemist loon over een fictieve opzegtermijn van vier maanden, omdat de brief van 21 september 2018 als opzegging gold.
De transitievergoeding werd afgewezen omdat deze was verdisconteerd in het maatwerkbudget uit het sociaal plan. Voor de billijke vergoeding werd geoordeeld dat de werkgever ernstig verwijtbaar handelde door niet de juiste procedures te volgen, waardoor een aanvullende vergoeding van vijf maanden loon werd toegekend. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van de vergoedingen en proceskosten.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van vergoeding wegens onregelmatige opzegging en billijke vergoeding; transitievergoeding wordt afgewezen.