Art. 93 sub c RvArt. 30p Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 7:686a lid 3 BWArt. 69 Rv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling bevoegdheid kantonrechter en onjuiste procesinleiding in arbeidsrechtelijke procedure
In deze zaak staat de vraag centraal of de kantonrechter bevoegd is om kennis te nemen van een geschil tussen verzoeker en Grando Alexandrium B.V. betreffende een vermeende arbeidsovereenkomst. De kantonrechter stelt vast dat op grond van artikel 93 sub c RvPro zaken betreffende arbeidsovereenkomsten door de kantonrechter worden behandeld, en dat er voldoende aanwijzingen zijn dat een arbeidsovereenkomst bestaat of heeft bestaan. Hierdoor is de kantonrechter bevoegd.
Vervolgens bespreekt de kantonrechter het procedurele punt van de procesinleiding. Verzoeker heeft primair een verklaring voor recht gevraagd, maar de kantonrechter wijst erop dat een dergelijke procedure niet via een verzoekschrift kan worden ingeleid, maar via een exploot van dagvaarding. Artikel 7:686a lid 3 BW is niet van toepassing omdat het geen geding betreft op grond van titel 10 boek 7 afdeling 9 BW.
De kantonrechter beveelt daarom dat de procedure wordt voortgezet volgens de dagvaardingsprocedure. Verzoeker krijgt de opdracht om op eigen kosten het inleidende processtuk te verbeteren of aan te vullen, met een termijn tot 15 juli 2020. Daarna krijgt verweerster gelegenheid haar verweer aan te passen. De mondelinge behandeling wordt gepland op 18 augustus 2020. Alle verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: Kantonrechter oordeelt bevoegd maar wijst verzoek tot verklaring voor recht af vanwege onjuiste procesinleiding en beveelt voortzetting via dagvaardingsprocedure.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 8492601 VZ VERZ 20-8564
datum: 25 juni 2020
proces-verbaal van mondelinge uitspraak ex artikel 30p Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
gemachtigde: mr. N. Köse -Albayrak (procesadvocaat) te Rotterdam,
mr. G. de Hoogd (behandelend advocaat) te Aruba,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Grando Alexandrium B.V.,
statutair gevestigd te Rotterdam,
verweerster,
gemachtigde: mr. D.B. Muller te Breda.
Partijen worden hierna verder aangeduid als: “ [verzoeker] ” en “Alexandrium”.
In verband met de corona-maatregelen is het verzoek, met instemming van partijen behandeld middels een Skype-zitting, waarbij de kantonrechter en de griffier zich bevinden in een zaal van de rechtbank, [verzoeker] , zijn gemachtigde(n) respectievelijk Alexandrium samen met haar gemachtigde vanuit hun eigen locatie digitaal met beeld en geluid verbonden zijn.
Aanwezig is mr. K.J. Bezuijen, kantonrechter, bijgestaan door mr. H.C.C. Kan, griffier en [naam stagiaire] , stagiaire.
Nadat de digitale verbinding (met beeld en geluid) tot stand is gebracht constateert de kantonrechter dat voor deze skypezitting in het kader van de behandeling van de onderhavige zaak zijn verschenen:
- [verzoeker] in persoon, bijgestaan door de gemachtigde mr. De Hoogd en diens medewerker, mevrouw [naam medewerker] ;
- namens Alexandrium de heren [naam persoon 1] ( [naam functie 1] ) en [naam persoon 2] ( [naam functie 2] ), bijgestaan door de gemachtigde.
De kantonrechter gaat over tot de mondelinge behandeling van het verzoek. Aangezien er door Alexandrium een bevoegdheidsincident is opgeworpen, dient de kantonrechter allereerst te beoordelen of de kantonrechter bevoegd is om onderhavige verzoekschrift te behandelen.
Gehoord partijen oordeelt de kantonrechter als volgt.
Op grond van artikel 93 sub c RvPro worden zaken betreffende een arbeidsovereenkomst, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering, door de kantonrechter behandeld en beslist. De term ‘betreffende’ duidt erop dat de vordering betrekking moet hebben op de specifiek in het artikel genoemde overeenkomsten. Dit is ruimer dan dat de vordering haar grondslag moet hebben in één van de specifiek genoemde overeenkomsten.
Nu [verzoeker] zich heeft beroepen op het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, is de kantonrechter van oordeel dat er in het onderhavige geschil voldoende aanwijzingen zijn dat er mogelijk een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat dan wel heeft bestaan en dat er op die grond sprake is van een rechtsvordering betrekkelijk tot een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 93 sub c RvPro. De kantonrechter is dan ook bevoegd om kennis te nemen van dit geschil.
De kantonrechter bespreekt vervolgens het procedurele punt van de (juiste) procesinleiding met partijen.
[verzoeker] heeft zijn standpunt nader toegelicht. Ook Alexandrium heeft haar standpunt nader toegelicht. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De kantonrechter heeft haar voornemen geuit om op de voet van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in aanwezigheid van beide partijen mondeling uitspraak te doen. Vervolgens heeft de kantonrechter mondeling uitspraak gedaan. Deze uitspraak luidt als volgt.
1..De gronden van de beslissing
[verzoeker] heeft in zijn verzoek primair een verklaring voor recht verzocht. Anders dan [verzoeker] kennelijk meent, dient een procedure tot het verkrijgen van een verklaring voor recht niet aanhangig te worden gemaakt door middel van een verzoekschrift, maar door middel van een exploot van dagvaarding. Artikel 7:686a lid 3 BW is hier niet van toepassing, omdat de vordering van [verzoeker] geen geding is op grond van titel 10 boek 7 afdeling 9 BW. Gelet op het bepaalde in artikel 69 RvPro zal daarom worden beslist als hierna vermeld.
2..De beslissing
2.1
beveelt dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure;
2.2
beveelt dat [verzoeker] op zijn kosten overgaat tot verbetering of aanvulling van het inleidende processtuk en stelt [verzoeker] in de gelegenheid zijn stellingen zo nodig aan te passen op de voor de dagvaardingsprocedure toepasselijke procesregels en verwijst de zaak hiertoe naar de rolzitting van 15 juli 2020 om 14:30 uur;
2.3
bepaalt dat het door [verzoeker] te nemen processtuk uiterlijk de dag van de rolzitting om 10.00 uur (in tweevoud) ter griffie ontvangen moet zijn;
2.4
stelt Alexandrium daarna in de gelegenheid haar verweer zo nodig aan te passen op de voor de dagvaardingsprocedure toepasselijke procesregels en verwijst de zaak hiertoe naar de rolzitting van 12 augustus 2020 om 14:30 uur;
2.5
bepaalt dat een mondelinge behandeling zal worden gehouden op dinsdag 18 augustus 2020 om 14:00 uuren zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw, Wilhelminaplein 100 te Rotterdam (melden in het rode gebouw B);
2.6
houdt iedere verdere beslissing aan.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat door de kantonrechter en de griffier is ondertekend.