Eiser ontving vanaf 2016 een AOW-uitkering volgens de alleenstaandennorm. Na zijn huwelijk in augustus 2018 paste de SVB het pensioen aan naar de gehuwdennorm en vorderde het te veel betaalde bedrag terug over september 2018 tot en met november 2019. Eiser stelde dat hij zijn huwelijk niet bewust had verzwegen en feitelijk niet samenwoonde met zijn partner, die in Marokko verbleef. De rechtbank oordeelde dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden door het huwelijk niet tijdig te melden, maar dat de SVB het beleid niet correct had toegepast door vanaf 7 mei 2019 met terugwerkende kracht te herzien nadat eiser het huwelijk had gemeld.
De rechtbank stelde vast dat het huwelijk niet onder de uitzonderingen viel en dat eiser verplicht was dit aan de SVB te melden. Hoewel eiser niet kon lezen wat er stond in de correspondentie, had hij hulp moeten zoeken. De SVB had geen boete opgelegd omdat zij zelf de melding uit de basisregistratie personen niet had opgepakt. Hierdoor mocht de SVB de AOW niet met terugwerkende kracht herzien vanaf de datum van melding. De rechtbank vernietigde het besluit voor de periode vanaf 7 mei 2019 tot en met november 2019 en beval een nieuw besluit met inachtneming van het beleid en een evenredigheidstoets.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldig beleid bij herziening van uitkeringen en de bescherming van rechtszekerheid en proportionaliteit.