Appellant, geboren in 1948, vroeg zijn AOW-pensioen aan via de Belgische Rijksdienst voor Pensioenen (RVP). De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende hem een toeslag toe die later werd herzien met terugwerkende kracht, omdat appellant pas na 1 januari 2015 trouwde en geen toeslagpartner was. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond, maar beperkte de terugwerkende kracht tot één jaar.
In hoger beroep stelde appellant dat de ingangsdatum van zijn AOW-pensioen moest aansluiten bij zijn eerste aanvraag in 2013 bij de RVP en dat de Svb zijn eigen beleid ruimer moest toepassen vanwege zijn situatie. De Raad oordeelde dat de datum van indiening van de aanvraag bij de RVP ook geldt als datum van aanvraag bij de Svb volgens EU-verordening 987/2009. De Svb had de herziening moeten matigen omdat de fout bij de Svb lag en appellant zijn verplichtingen was nagekomen.
De Raad volgde het beleid van de Svb om de herziening met terugwerkende kracht te matigen tot de helft, gelet op de mate van verwijtbaarheid en de impact op appellant. De zogenaamde twee-woningenregel werd niet toegepast omdat die alleen voor ongehuwden geldt. De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de Svb een nieuw besluit moet nemen waarbij het terug te vorderen bedrag wordt gehalveerd en de ingangsdatum wordt aangepast. Tevens werd de Svb veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.