Partijen hadden een affectieve relatie van 1998 tot 2019 en woonden ongehuwd samen in een woning die zij gezamenlijk in eigendom hadden. Na het verbreken van de relatie in 2019 woont de vrouw elders, terwijl de man met de kinderen in de woning blijft. De vrouw vordert in kort geding dat de man wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de woning, omdat zij belemmerd wordt in het kopen van een eigen woning en mede aansprakelijk blijft voor de hypotheekschuld.
De man voert verweer dat kort geding niet geschikt is voor deze beslissing en dat hij meer tijd nodig heeft om andere verdelingsmogelijkheden te onderzoeken. De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang van de vrouw gegeven is, omdat partijen anderhalf jaar na het verbreken van de relatie nog steeds onverdeeldheid hebben.
De rechtbank stelt dat een veroordeling tot medewerking aan verkoop niet de verdeling zelf betreft, maar de wijze van realisatie daarvan. De woning moet worden verkocht aan een derde, met een termijn van twee maanden voor de man om medewerking te verlenen aan het verkoopproces. De levering vindt plaats tussen 1 juli 2022 en 1 september 2022, zodat de man en kinderen tijd hebben om alternatieve woonruimte te vinden.
De man wordt veroordeeld tot medewerking aan verkoop en levering, het verlenen van toegang aan de makelaar en geïnteresseerden, en tot ontruiming uiterlijk twee weken voor levering. Dwangsommen worden opgelegd bij niet-nakoming. De kosten worden gecompenseerd tussen partijen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.