ECLI:NL:RBROT:2022:10026
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens gevaar voor openbare orde ondanks ambtelijk verzuim
Eiser, geboren in Nederland en lange tijd ten onrechte als Nederlander geregistreerd, verzocht om naturalisatie. De staatssecretaris wees dit verzoek af op basis van een strafrechtelijke sanctie uit 2019 in Zwitserland, waarbij eiser werd veroordeeld voor handel en gebruik van softdrugs. Hoewel de eerdere veroordeling uit 2015 inmiddels buiten de rehabilitatietermijn viel, werd de latere sanctie als gevaar voor de openbare orde aangemerkt.
De rechtbank toetste het besluit aan de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) en de Handleiding RWN, waarin is bepaald dat naturalisatie geweigerd wordt bij ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde, waaronder sancties binnen vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht uitging van een werkstraf van 40 uur als maatstaf, en dat de boete voor gebruik van softdrugs niet relevant is omdat dit in Nederland niet strafbaar is.
Eiser stelde dat het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel toegepast had moeten worden, omdat hij te goeder trouw was en onterecht als Nederlander werd beschouwd. De rechtbank verwierp dit, stellende dat het Unierecht niet van toepassing is op naturalisatieprocedures en dat het verzoek om naturalisatie een interne aangelegenheid betreft.
De rechtbank erkende de moeilijke positie van eiser, maar benadrukte dat naturalisatie aan strenge voorwaarden is gebonden en dat ambtelijk verzuim niet leidt tot naturalisatie. Het beroep werd ongegrond verklaard, waarbij werd opgemerkt dat eiser na het verstrijken van de rehabilitatietermijn opnieuw kan verzoeken.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek blijft in stand wegens gevaar voor de openbare orde.