ECLI:NL:RBROT:2022:10519
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van omzetdefinitie en evenredigheidsbeginsel in NOW-1 subsidie vaststelling
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarin de definitieve tegemoetkoming in loonkosten op grond van de NOW-1 werd vastgesteld. Zij stelden dat de renovatiegelden niet tot de omzet gerekend mochten worden, waardoor het omzetverlies hoger was dan vastgesteld. Dit zou leiden tot onevenredige nadelige gevolgen en strijd met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de NOW-1 regeling en de definitie van omzet, zoals opgenomen in artikel 1, tweede lid, van de NOW-1, duidelijk zijn en dat afwijking hiervan niet mogelijk is. De exceptieve toetsing leidde niet tot het door eisers gewenste resultaat, mede gelet op eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. De rechtbank vond dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom geen hardheidsclausule is opgenomen en dat de belangenafweging rechtmatig is gemaakt.
De rechtbank concludeerde dat de lagere vaststelling van de subsidie berust op een discretionaire bevoegdheid en dat de nadelige gevolgen voor eiseressen niet onevenredig zijn in verhouding tot het doel van de regeling. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de vaststelling van de NOW-1 subsidie worden ongegrond verklaard.