De werknemer is sinds 2015 in dienst als kliniekmanager en meldde zich in 2019 ziek. De werkgever schakelde de bedrijfsarts in en probeerde re-integratie, maar het UWV stelde dat de werkgever aanvankelijk onvoldoende had gedaan, waarna de loondoorbetalingsplicht werd verlengd. Later oordeelde het UWV dat de werkgever voldoende had gedaan en de loondoorbetaling werd beëindigd. De werknemer kreeg een arbeidsongeschiktheidsuitkering en weigerde een vaststellingsovereenkomst met transitievergoeding.
De werknemer verzocht de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, onder meer door onvoldoende rekening te houden met werkdruk en gebrekkige re-integratie.
De werkgever betwistte dit en stelde dat zij niet ernstig verwijtbaar had gehandeld. De kantonrechter oordeelde dat ondanks tekortkomingen in de re-integratie, deze niet zodanig ernstig waren dat ontbinding gerechtvaardigd is. Ook werd gewezen op het aanbod tot beëindiging met transitievergoeding dat de werknemer afwees. De gevorderde billijke vergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De kantonrechter wees het verzoek af en bepaalde dat partijen elk hun eigen proceskosten dragen.