Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2022 in de zaak tussen
De Veste B.V. (De Veste), te Breda, eiseres,
de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM), verweerster,
Procesverloop
Overwegingen
4 oktober 2019 een verzoek tot intrekking van de vergunning aan de AFM richt en de afwikkeling uiterlijk binnen 6 maanden (de reguliere termijn is 3 maanden) zal zijn afgerond. Op 10 december 2019 is het definitieve onderzoeksrapport gereed gekomen.
a) Het beheren van beleggingsinstellingen zonder voorafgaande melding en goedkeuring van de AFM
30 mei 2013 op haar meldingsplicht heeft gewezen. Met de AFM ziet de rechtbank niet in hoe het niet kunnen vinden van meldingsformulieren af zou doen aan de overtreding. Dat De Veste in 2014 een lijst met fondsen heeft verstrekt bij de omzetting van de vergunning doet mogelijk af aan de ernst van de laatste overtreding, maar doet die niet teniet, terwijl de rechtbank met de AFM de eerdere overtreding van artikel 4:50 van Pro de Wft (zoals die destijds gold) ernstig acht.
27 oktober 2017 alleen overgeboekt naar de rekening van de holding van eiser ter bescherming tegen mogelijke beslaglegging. Het bedrag van € 350.000 is altijd onderdeel blijven uitmaken van het vermogen van De Veste. Van belemmering van toezicht om deze reden, kan dus geen sprake zijn. Het bedrag is - zoals De Veste altijd heeft aangegeven - teruggeboekt naar de rekening van De Veste op 27 december 2017. Later, op 2 januari 2018, is een direct opeisbare lening van € 350.000 verstrekt aan de holding van eiser. Niet alleen was deze tweede overboeking gedaan voor andere doeleinden, maar deze viel ook buiten de periode waarop het informatieverzoek van de AFM betrekking had (1 januari 2016 tot de datum van het verzoek op 22 december 2017). Volgens eisers doet de AFM aan beeldvorming door aan te geven dat De Veste € 350.000 aan de rekening van De Veste zou hebben onttrokken en daardoor een onjuist beeld zou hebben geschetst van de daadwerkelijke financiële situatie van De Veste. De Veste heeft deze vordering namelijk niet overgedragen, niet verpand of op enigerlei wijze buiten haar macht gesteld. In plaats van een vordering op een bank, had De Veste een vordering op een derde, niet zijnde een bank. De financiële positie van De Veste is dus precies hetzelfde gebleven.
€ 350.000 van haar rekening heeft overgemaakt naar de rekening van de holding van eiser (dit noemt de AFM de eerste onttrekking). Dit bedrag is op 27 december 2017 teruggeboekt (dit noemt de AFM de bijboeking), om op 2 januari 2018 weer te worden overgemaakt naar de rekening van de holding van eiser met de omschrijving ‘direct opeisbare lening’ (dit noemt de AFM de tweede onttrekking). Het saldo van de rekening van De Veste was als gevolg hiervan dus op 2 januari 2018 € 350.000 lager dan voor 27 oktober 2017. Om die reden zal de rechtbank in navolging van de AFM spreken van onttrekking. De AFM heeft, voorafgaand aan het vaststellen van de onttrekkingen, op 22 december 2017 aan De Veste een informatieverzoek gestuurd. Hiermee werd De Veste onder meer verzocht om de volgende informatie aan te leveren:
2 januari 2018 wederom een bedrag van € 350.000 is onttrokken aan de rekening van De Veste en naar de rekening van de holding van eiser is overgeboekt (regel 12 in bovenstaande figuur). De Veste heeft dit in haar reacties op 12 januari 2018 en 6 februari 2018 onvermeld gelaten.